Om groot gezin te kunnen orderhouden

J.J.E. Pilgrim was burgemeester-secretaris en notaris

door H.W.J.DERKSEN en J.H.F.ZWEERS
Uit Mededelingen jaargang 7, 1982, nr. 1

Van 1785 tot 1865, een periode dus van 80 jaar, werd Huissen "geregeerd" door drie burgemeesters Pilgrim: vader, zoon en kleinzoon.
Johann Friedrich Pilgrim, de vader, werd in 1741 geboren als zoon van de "Salinenfaktor" op de koninklijke Pruisische zoutwerken te Unna—Kônigsborn Jeremias Ernst Pilgrim en Ottilie Christine Faber.
Hij kwam begin 1762 als jong Pruisisch ambtenaar naar Huissen waar hij — na resp. "Rentheyschreiber" en "Receptor" (ontvanger van schattingen) te zijn geweest in 1785 tot "Königlicher Preussischer Bürgermeister zu Huissen" werd benoemd.
J. F. Pilgrim bleef in functie tijdens de staatkundige wisselingen tegen het einde van de 18e en het begin van de 19e eeuw, waarbij hij zich niet altijd een krachtdadig bestuurder toonde.
In het begin van het jaar 1814, in de Pruisische tijd derhalve, legde hij zijn ambt neer,ongetwijfeld "moe en der dagen zat".
Johann Friedrich overleed op 4 december 1817, 76 jaar oud. Opgevolgd werd hij door zijn tweede zoon (l)Jeremias Jacobus Ernst, die op 26 maart 1814 tot "Kôniglicher Preussischer Bügermeister" werd benoemd, nadat hij reeds twee jaar als administratieve hulp en plaatsvervanger van zijn vader was opgetreden.
J.J.E. Pilgrim werd op zijn post gehandhaafd nadat Huissen met ingang van 1 juni 1816 bij Nederland was gevoegd en hij bleef burgemeester tot 13 januari 1850 om dan opgevolgd te worden door zijn zoon Johannes Andreas Theodor, die vijftien jaar lang het burgemeestersambt zou bekleden tot aan zijn onverwachte dood, op 41—jarige leeftijd, op 30 augustus 1865.
Zijn vader overleefde hem nog tien jaar; J.J.E. stierf op 22 december 1875, 91 jaar oud.
Met J,A.Th. Pilgrim kwam een einde aan de burgemeestersgeneratie Pilgrim, maar wel bekleedde nog één Pilgrim een functie in de gemeentelijke politiek: de drankhandelaar Cornelis Leonard Pilgrim (1835—1911), broer van de jong gestorven burgemeester. Hij huwde later met diens weduwe. Jarenlang was hij wethouder der gemeente Huissen.
Met J.A.Th. Piigrim eindigde tevens de uit de Pruisische tijd stammende reeks van protestantse burgemeesters in het grotendeels katholieke Huissen.
Aan da persoon van de tweede Pilgrim—burgemeester, Jeremias Jacobus Ernst, mogen wij in deze bijdrage wat meer aandacht besteden. Dr E. Smit heeft hem in zijn dissertatie (2) gekenschetst als uitgesproken pro-Pruisisch ("die wir immer biedere Preussens anhängliche Unterthanen gewesen sined) , zulks in tegenstelling tot zijn vader die een geboren (Rijn—)Pruis was, maar wel sterke opportunistische trekken vertoonde.
Een Amsterdamse rechter getuigde van hem: "De Burgemeester Pelgrom een aardig en verstandig man. Gelukkig het stadje, waar de vrouw praesidentin geen grootsche gekkin is, maar een lieve, gulle an vrolijke vrouw als Mevr. Pelgrom. (3)
Desondanks was J.J.E. na de overgang naar Nederland 34 jaar een ijverig maar slecht gesalarieerd burgemeester en secretaris, die zijn grote gezin voornamelijk moest onderhouden met de opbrengsten uit het ambt van notaris, dat hij -met dispensatie— tevens mocht bekleden. Hij woonde in het grote herenhuis Langestraat 35/37 (thans bekend als "pand Steijntjes"), waar tevens het stadhuis was ondergebracht sinds het oude stadhuis niet meer te gebruiken was (4).
Op 2 januari 1844 zou de (zesjarige) ambtstemijn van J.J.E. Pelgrim aflopen. In verband daarmede verzocht de fungerend Districts-Commissaris van Nijmegen, te Kesteren, hem bij brief van 17 juli 1843 "teneinde eene behoorlijke voordragt tot al of niet continuatie van UEdG. in te zenden" om binnen acht dagen op te geven:
"1. UEdG. naam en voornamen; 2. Ouderdom; 3. Geboorteplaats; 4. Godsdienst; 5. Gehuwd of ongehuwd; 6. Getal kinderen; 7. Burgerlijk beroep; 8. Vroegere ambtelijke betrekkingen; 9. Andere ambtelijke betrekkingen door UEdG. thans bekleed wordende jaarlijksche inkomsten van ieder derzelve; 10. Jaarlijksche inkomsten, verbonden aan den post van Burgemeester, en 11. Of UEdG. in het genot is geweest van dispensatie van reglementaire bepalingen, en van welken aard die dispensaties zijn, en of bij eene eventuele wederbenoeming tevens verlenging der vroegere genotene dispensatie verlangt wordt en op welke gronden" .
Kolomsgewijze verzorgde de toen 55—jarige burgemeester Pilgrim de opgaven, die hij op 24 juli inzond aan de Districts-Commissaris "ten einde daarvan zoodanig gebruik te kunnen maken als UwEGstr. zal dienstig oordeelen (5)
Omdat de antwoorden, die Pilgrim gaf, niet alleen interessant zijn om een beeid te krijgen van 's mans loopbaan, maar ook van de financiële problemen van degene, die in de 19de eeuw het langst het ambt van burgemeester waarnam, geven wij ze letterlijk weer. Onze aanvullende notities hebben wij tussen haakjes bijgevoegd.
De opgaven luidden als volgt: pilgrim1
Naam en Voornaam:
PILGRIM,JEREMIAS JACOBUS ERNST.
Ouderdom:
geboren den 10 Septbr. 1787.
Geboorteplaats:
Huissen.
Godsdienst:
Hervormd.
Gehuwd of ongehuwd:
Gehuwd. (J.J.E. Pilgrim was sinds 1820 gehuwd met Aletta Amelia Louisa Prevenier).
Getal kinderen:
7. (Zeven kinderen gaf hij op als nog in leven zijnde. Er waren toen echter reeds drie kinderen op jeugdige leeftijd overleden.
Geboren werden:
1. Johan Frederik Cornelis Leonard, geb. 13 mei 1821;
2. Anna Maria Constantia, geb. 1 september 1822;
3.Johannes Andreas Theodor, geb. 27 augustus 1824;
4. Adolf Willem Karel, geb. 2 juni 1826;
5. Hermanus Hendrikus Jacobus, geb. 11 januari 1828;
6. Johanna Cornelia, geb. 17 oktober 1829, overleden 19 dec. 1830;
7. Anton Reinhard, geb. 15 oktober 1831;
8. Theodoor Hendrik Jan, geb. 25 december 1833, overleden 14 mei 1834;
9. Cornelis Leonard, geb. 1 juni 1835;
10. Johanna Cornel ia, geb. 9 jan. 1807, overleden 4 aug. 1837.
Burgerlijk beroep:
Geen.
Vroegere ambtelijke betrekkingen:
Met Julij 1805 werkzaam geweest bij het Koningl. Pruiss. Gerigt te Huissen.
12 Maart 1806 aangesteld als beëdigd klerk bij hetzelve (6)
25 April 1809 benoemd als assistent ten kantore der Rentherende Middelen en der Verponding in het Arrondissement Zevenaar en vervolgens beëdigt voor welke post in het begin van 1813 is komen te vervallen.
In 1812 tot het begin van 1814 de Mairie Huissen voor deszelfs vader geadministreerd.
9 Junij 1813 aangesteld als 1e Luitenant bij de 3e Cohorte 2e Compagnie Grenadiers Nationale Garde / den 30en Novbr. 1813 te Arnhem door de Pruisische troepen gevangen genomen en geheel uitgeplundert zonder eenige vergoeding te hebben ontvangen.
26 Maart IB 14 aangesteld als Koningl. Pruiss: Burgemeester van Huissen en bij het Nederlandsche Gouvernement gecontinueerd.
Bij Z.M. Besluit van 10 Januarij 1817 benoemd als Capitein der 1e Comp: 4e Bat: rustende Schutterij 19e District.
Bij Z.M. Besluit van 1B Septbr. 1817 benoemd als 2e Plaatsvervanger bij het Vredegeregt te Bemmel.
Bij Z.M. Besluit van 27 Nov. 1817 benoemd als Schout en Secretaris van Huissen en den 9 Jan. 1825 als Burgemeester en Secretaris is steeds gecontinueerd.
Den 26 Junij 1818 door Z.M. aangesteld als Notaris.
Bovendien door de geërfden van Huissen en Malburgen benoemd 7 Januari 1813 als ontvanger der Ambtslasten in 1828 daarvoor bedankt.
27 Augustus 1817 als secretaris der dijkstoelen van Huissen en Malburgen.
Den 4e Decbr. 1817 als Heemraad en ontvanger des dijkstoels van Huissen maar heeft voor laatstgemelde post in 1832 bedankt.
Andere ambtel ijke betrekkingen door hem bekleed wordende en jaarlijksch inkomen van ieder deselve:
Notaris te Huissen met een afwisselend inkomen van f. 600 tot 1200.-
Polder Secretaris van Huissen met f. 26.— tractement. Polder Secretaris van Malburgen met f. 40.- tractement.
Jaarlijksch inkomen verbonden aan den post van Burgemeester:
Als Burgemeester f. 435.- als Secretaris f. 235.
Of de Burgemeesterin het genot is geweest van dispensatie van reglementaire bepalingen en van welken aard die dispensatie is:
Is steeds stilzwijgend gedispenseerd gebleven en speciaal bij Art. 75 der Wet op het Notariaat van den 9. Julij 1842 Staatsblad No. 20 (7).
Of bij eene eventueele herbenoeming tevens verlenging der vroeger genotene dispensatie verlangd wordt en op welke grond:
De Burgemeester wenscht zeer in het genot van dispensatie te mogen blijven en wel uit hoofde hij bij het Pruissische Bestuur ad vitam is aangesteld en nu meer dan 29 Jaar dien post onder de moeijlekste ormstandigheden als eerlijk man heeft waargenomen.
Terwijl hij in het vertrouwen van continuatie in 1820 een huwelijk heeft aangegaan en bij het gemis van een der posten zijn talrijk huisgezin niet zoude kunnen onderhouden" .

Tot zover Pilgrim's opgaven. De Koning beschikte goedgunstig. Bij Z.M. besluit van 24 januari 1844 (8 ) werd J.J.E. Pilgrim voor een nieuwe termijn van zes jaar herbenoemd. Het was zijn laatste ambtstermijn.
Zijn tweede zoon Johannes Andreas Theodor, die toen 25 jaar oud was, volgde hem op 18 januari 1850 op. J.J.E. Pilgrim bleef na zijn aftreden als burgemeester verder het ambt van notaris bekleden, totdat hij daarin - nog bij leven — werd opgevolgd door zijn zoon Anton Reinhard.
Pilgrim

NOTEN:
1) De oudste zoon, Johan Andreas, Overleed ongehuwd op 29—jarige leeftijd te Luik op 17 juni 1822 toen hij aldaar in garnizoen lag als 2e luitenant bij het Bataillon Artillerie (GAH, Corr. 1827, nr.214/151).
2) Smit, E.J,Th.A.M.A., De oude Kleefse enklaves en hun overgang naar Nederland 1795—1817 (diss. Nijmegen, 1975) .
3) Aldus jhr. mr. Anthony Warin, lid der rechtbank van eersten aanleg te Amsterdam, in zijn dagboekje na een bezoek aan het echtpaar Pilgrim—Backer op 9 juli 1801 (Zie: "Een reis te paard door Gelderland in 1801", medegedeeld door A.D. Storm Buysing, in BM Gelre, deel XXXIX, 1936, pp. 341-349.)
4) Zie: H.W.J.Derksen en J.H.F. Zweers, Huissens stadhuis had zes voorgangers, Huissen 1978.
5) GAH, Correspondentie 1843. Ingekomen brieven nr. 183, met inliggende minuut ven het antwoord.
6) Opmerkelijk is echter, dat in de lijst van ULidmaten der Hervormde Gemeente van Huissen, aanwezig op 1 Februarij 1868" (in: "Lidmatenboek 1868 - 1918" — Archief Ned. Herv.Gemeente Huissen) achter zijn naam in de kolom "Van waar ingekomen en wanneer" wordt vermeld: "Unna in Pruissen den 11 Septemb. 1806". Hij moet dus enige tijd uit Huissen weg zijn geweest en vermoedelijk verbleven hebben in Unna-Kônigsborn, waar zijn oom (Johann) Heinrich Pilgrim (1744—1815) "Controlleur und Cassirer" bij de Koninklijke Pruisische zoutwerken was.
7) De dispensatie heeft, zoals opgemerkt, betrekking op de cumulatie van betrekkingen van burgemeester—secretaris én notaris.
8) GAH Correspondentie 1844, ingekomen brieven nr. 50.