Artikelen uit oude Mededelingen

Sinds 1976 geeft de Historische Kring Huessen het periodiek "Mededelingen" uit
Het blad had toen als ondertitel "over de werkzaamheden van de Historische Kring Huessen".
Dat is nu veranderd in "omtrent de verenigingsactiviteiten van en de resultaten van historisch onderzoek door de Historische Kring Huessen"
Mededelingen werd toen nog vormgegeven op een ouderwetse typemachine en daarna vermenigvuldigd op een stencilmachine.


  • Mobilisatie tijdens de Frans-Duitse oorlog. Uit Mededelingen, jrg. 5, 1979/80 nr. 3 Open or Close


    Mobilisatie tijdens de Frans-Duitse oorlog.  Rumoer rond de inkwartiering te Huissen in het jaar 1870
    Uit Mededelingen, jaargang 5, 1979/80 nr. 3

    door J.H.F.ZWEERS

    Op 19 juli 1870 begon de oorlog tussen Pruisen en de Zuidduitse staten enerzijds en het keizerrijk Frankrijk anderzijds. Deze zogenaamde Frans-Duitsa oorlog eindigde met de Vrede ven Frankfort in mei 1871 (1).
    Nederland bleef in deze oorlog weliswaar neutraal, maar de regering achtte het toch raadzaam om een gedeelte van het leger te mobiliseren teneinde deze neutraliteit te kunnen verdedigen (2).
    Het was gebruikelijk, dat de militairen bij de burgers werden ingekwartierd. Dat dit wel eens aanleiding gaf tot prikkeling en misverstanden, laat zich gemakkelijk raden.
    De mobilisatie en de inkwartiering van 1870 gingen ook aan Huissen niet ongemerkt voorbij .
    Op zaterdag, 16 juli 1870 verscheen er een bekendmaking van burgemeester C.T.Kolfschoten (burgemeester van Huissen van 1867-1076) , waarin hij de manschappen van de lichtingen 1866-1869 opriep om op dinsdagmorgen 8 uur ten gemeentehuize te verschijnen (3).
    Op 20 juli verlieten de Huissense militairen om 7 uur 's morgens "voorafgegaan door de Nederlandsche driekleur, onder trommelslag en trompetgeschal de gemeente (...) Men kon het den wakkeren jongelingen aanzien, dat zij met geestdrift bezield waren en blijmoedig het vaderland gingen dienen.
    Een groot deel der inwoners deed hen uitgeleide (4). Dat Huissen inkwartiering zou krijgen, was toen nog niet bekend. Op de 21e kreeg de burgemeester het bericht, dat op zaterdag, 23 juli het 4e bataljon van het 2e regiment infanterie in Huissen zou arriveren. Dit bataljon zou blijkens opgave bestaan uit "20 officieren, 900 minderen, 5 waschvrouwen en 1 paard" (5) Op 23 juli ontving Kolfschoten echter plotseling de mededeling, dat het in te kwartieren bataljon uit 20 officieren, plm. 1000 manschappen, 9 waschvrouwen en 4 paarden zou bestaan (6).
    Op de 26e werd dit aantal nog aangevuld met 20 manschappen en 1 officier, die te Malburgen werden ingekwartierd (7 ). Onmiddellijk na het bekend worden van het bericht gonsde het in het stadje van de geruchten. Pogingen van de burgers om nadere gegevens te krijgen liepen echter op niets uit. Pas op de 22e, dus één dag vóór de troepen zouden arriveren, werd het bericht officieel door de stadsomroeper bekendgemaakt. De burgers worden daarbij tevens opgeroepen om goed voor de militairen te zorgen (8).
    inkwartiering kl
    Dat de inkwartiering van dit grote aantal militairen niet naar ieders wens en genoegen zou verlopen, was, mede gezien de korte voorbereidingstijd, wel te voorzien. Reeds op 26 juli ontving de Commissaris des Konings, Van Limburg Stirum, een adres van de kostschoolhouder H.J.Wansink en van acht andere Huissenaren, die "klagen (....) over de onregtmatige verdeeling, die bij deze inkwartiering heeft plaatsgevonden. Zoo dat bij die geene of weinig beschikbare ruimte hebben vele, anderen die veel van die ruimte hebben, weinige of zelfs geene militairen ter inkwartiering ontvangen hebben" .
    Zij staafden deze bewering door een aantal voorbeelden te geven. Daaruit blijkt onder andere, dat in het Dominicanenklooster slechts 6 militairen waren ingekwartierd, terwijl in een gezin, bestaande uit een bejaard echtpaar en hun twee ongehuwde dochters, maar liefst vijf militairen waren gehuisvest. De Stadskapelaan of Vicaris Verwaaijen (9) in de Bloem(er)straat(thans Vicariestraat) (10) had zelfs in het geheel geen inkwartiering, aldus de adressanten (11) De stadskapelaan of vicaris was echter van oudsher vrijgesteld van inkwartiering ("billetering") (12).
    Burgemeester Kolfschoten reageerde ongemeen fei op deze aantijgingen. Hij weerlegde de door Wansink c.s. genoemde getallen. Voorts noemde hij Wansink een pedant, bemoeizuchtig en opvliegend man,die "eene voortdurende oppositie quand—même tegen den burgemeester en de wethouder Putters voert en hen een onverzoenlijke haat toedraagt".
    Tevens beklaagde Kolfschoten zich over de wel zeer korte tijd, die hem ter beschikking had gestaan om de inkwartiering te regelen. Niet alleen had Huissen, met een bevolking van 3540 zielen wel erg veel soldaten toegewezen gekregen, maar ook nog meer dan dat aanvankelijk was aangekondigd.
    Desondanks was "de inkwartiering met den meesten spoed, tot groote tevredenheid van den Majoor Kommandant afgeloopen, de burgers en militairen gaan met elkander op den meest gewenschten voet om" en Kolfschoten betreurde het dan ook, dat "H.J.Wansink, die zelf alle vertrouwen verbeurt heeft, die goede verstandhouding tracht te verbreken en den minderen man tegen het dagelijksch bestuur zoekt op te ruijen (13).
    Het enige resultaat, dat Wansink c.s.met hun adres bereikten, was, dat de stadskapelaan nu ook inkwartiering kreeg. De Commissaris des Konings liet namelijk op 5 augustus weten, dat ook de stadskapelaan voor inkwartiering in aa nmerking moest komen ondanks diens "beweerden vrijdom .
    Kolfschoten antwoordde de volgende dag aan Van Limburg Stirum, dat nu weliswaar ook bij de vicaris soldaten waren ingekwartierd maar "dat wij echter de verantwoordeijkheid voor die daad geheel van onze schouders werpen, dat toch de vrijdom van inkwartiering voor dien titularis borust op regten door het Weener tractaat gewaarborgd, dat o.i. maar niet met een enkele pennestreek kan uitgewischt worden.
    Dit protest van Kolfschoten mocht echter niet meer baten en de militairen bleven bij vicaria Verwaaijen ingekwartierd. Kostschoolhouder Wansink , die, met zijn mede-ondertekenaren,verder geen succes met zijn protest had weten te behalen, gaf het echter nog niet op.
    Op 3 augustus richtte hij zich opnieuw tot de Commissaris des Konings. Hij schreef hem, dat hij de acht militairen, die hem op 23 juli waren gezonden, uitbesteed had omdat hij anders geen goed onderricht zou kunnen geven.
    Op 1 augustus had men hem echter opnieuw zes militairen op het dak gestuurd, kennelijk een wraakactie van Kolfschoten. De aanwezige sergeant Dazert was naar de burgemeester verwezen om hem te vragen of zij niet ergens anders ingekwartierd konden worden.
    Kolfschoten was daartoe echter niet bereid geweest en had gezegd, dat Wansink "praatjes" had. Wansink betoogde nu, dat als gevolg van deze inkwartiering de leerlingen van zijn kostgchool zich behelpen moesten. Opnieuw wees hij er op, dat de militairen niet rechtvaardig over de inwoners verdeeld waren en dit "bewijst slechts opnieuw hetgeen reeds uit vele feiten gebleken is, dat de burgemeester volstrekt niet berekend is voor de taak die op hem rust" (16).
    Kolfschoten verweerde zich goed. Hij betoogde, dat de kostschool van Wansink berekend was op zeventig leerlingen terwijl hij er slechts negen had. In de school was dus ruimte genoeg voor de militairen, maar al zou zulks niet het geval zijn geweest dan had Wansink ook altijd nog de beschikking over een ruim huis.
    Kolfschoten voegde bovendien nog een brief bij van de plaatselijke commandant, waaruit de onwil van Wansink nog eens duidelijk moest blijken. Hij verzekerde de Commissaris des Konings dan ook, "dat de grond van adressants klagt enkel gelegen is in klaarblijkelijke onwil en zucht om onaangenaamheden te veroorzaken.
    Zijn karakter te dien opzigte is dan ook reeds zoo bekend, dat Officieren van het thans alhier in kantonnement liggende bataillon hem bij den bekende "de Vletter" vergelijken" (17).
    Op 13 augustus deed de Commisaaris des Konings uitspraak. Hij stelde, dat Wansink c.s. onjuistheden in hun brieven hadden gezet. Weliswaar waren er mogelijkheden genoeg om aanmerkingen te maken op het gevoerde beleid, maar men moest niet het oog verliezen, dat de inkwartiering bijzonder onverwachts was gekomen en dat men bovendien niet had gerekend op de komst van zoveel militairen (18).
    Op 27 september 1870 kwam er een einde aan de inkwartiering. Om half drie 's nachts verlieten de troepen Huissen om terug te keren naar Maastricht. Majoor Van der Dussen had de dag tevoren zijn dank uitgesproken aan burgemeestor Kolfschoten. Hij verzekerde deze "dat de gemeente Huissen door ons al met leede oogen verlaten wordt en steeds in dankbare en genoeglijke herinnering zal verblijven"(19).
    Ook de plaatselijke correspondent van de Arnhemsche Courant schreef, dat er "een vrienschappelijke band gelegd (was) tusschen buggerij en militairen, die langen tijd aangename herinneringon zal verwekken" (20).
    Ondanks hat feit, dat de inkwartiering bijzonder snel en onverwacht kwam en bovendien het getal der militairen erg hoog was, slaagde de plaatselijke overheid er toch in om de soldaten goed op te vangen.
    Het aantal klachten over de inkwartiering zelf was dan ook zeer beperkt, hoewel zij voor alle burgers toch wel de nodige overlast zal hebben opgeleverd.

    NOTEN
    1. R.R. Palmer and Joel Colton, A History of the modern world. New York 1971, pp. 574-575.
    2. H. P. H. Jansen, Kalenderium geschiedenis van de lage landen in jaartallen. Utrecht-Antwerpen 19742, pg. 162.
    3. G.A.H. Verzonden brieven 1970 nr. 448.
    4. Arnhemse Courant 22 juli 1870 (een copie van dit artikel is aanwezig in het Documentatiecentrum HKH, doss.Militaire Zaken.)
    5. G.A.H. Ingekomen ieven nr. 434.
    6. G.A.H. Verzondôn brieven nr. 464.
    7. G.A.H. ingekomem brieven nr. 453.
    8. Brief van H.J.Wansink, Kremer, H.J.van Eck, F.M.Lamping, J.W.Petersen Hz., Pilgrim, W.Boekhorst, A.Dolphijn en G.F.Peeters aan de Commissaris des Konings dd. 26 juli 1870.
       Een copie van dit schrijven in G.A.H. Ingekomen brieven 1870 nr. 464.
    9. Godefridus Joannes Verwaaijen, geboren te Huissen op 6 mrt. 1823, was Stadskapelaan en vicaris te Huissen 20 jun. 1857 - 3 feb 1871.
    10 In de notulen van B. en W. van 6 april 1887 wordt deze straat, die later ook wel Smidsgas werd genoernd wegens de aanwezigheid van een smederij, vermeld als "de Bloem(er)straat of de zoogenaamde Kapellaaschegas".
    11.G.A.H. Ingekomen brieven 1870 nr. 464.
    12.Van deze vrijstelling wordt o.a. gewag gemaakt in de benoemingsacte van stadskapelaan en vicaris Laurentius Pilsen dd. 4 februari 1695 (G.A.H. OA voorl.inv.nr.11). Daarin wordt o.m. vermeld: "ende sal dan die Heer Cappelaen en Vicarius opgemelt bewonen de alingse behuijsinge met den aencleven van dien int de Cappelanie, ende Vorders genieten alles wat aen renten, inkomsten,als sunsten, tot de voors: Cappelannie, ende respte. vicarien gehornede is, ende des selfs antecessores enigsints genoten ende geprofiteerd hebben, niet uijtgesondert, als vrij ende exempt van alle Biletteringen, schattinge ofte Contributien, die hier na te eenigen teijdt, op de voors: Cappellanie en Vicarien moghten gest worden ...
    13.G.A.H. Verzonden brieven 1870 nr. 464.
    14.G.A.H. Ingekomen brieven 1870 nr. 484.
    15.G.A.H. Verzonden brieven 1870 nr. 482.
    16 C.A.H. Ingekomen brieven 1870 nr. 487.
    17.G.A.H. Verzonden brieven 1870 nr. 502. Vletter: in Zd.Ned. turfdrager, en vandaar als schimpwoord, " dewijl zulke gasten doorgaans maar slechte kerels zijn, zoo beteekent vletter in de Kempen: deugniet" . (Woordenboek der Nederlandsche Taal , 21e deel, Den Haag/Leiden 1967.
    18.G.A.H. Ingekomen brieven 1870 nr. 489.
    19.G.A.H. Ingekomen brieven 1870 nr. 587.
    20.Arnhemsche Courant van 29 sep. 1870. (Copie in Doc.centrum HKH,D0ss.Mil.Zk.).

    KOSTSCHOOLHOUDER HENDRICUS JOHANNES WANSINK
    Kostschoolhouder Hendricus Johannes Wansink, van wie in vorenstaande bijdrage sprake is, werd geboren te Huissen Op 5 juli 1832. Hij huwde te Oss met Aldegonda Anna Antonette Hoeben (geboren op Sumatra 16 jan. 1829) .
    Hij was een zoon van Joannes Wansink, afkomstig uit Arnhem, waar deze laatstelijk ondermeester was aan de Stads- Leer- en Spinschool. Hij werd in 1829 provisioneel en in 1830 definitief beroemd als opvolger van schoolmeester Bernhard Witten aan de "R.C. School".
    De toen 25-jarige H.J. Wansink stichtte zijn "Kostschool voor R.C. Jongelingen" in 1857 na goedgunstige beslissing op de "aanvraag om met dispensatie van het vergelijkend examen zonder eenig hoegenaamd jaarlijkse subsidie eene bijzondere school der 2e klasse binnen deze gemeente te mogen oprigten" .
    Wansink had zijn kostschool - althans laatstelijk - gevestigd in het latere telegraaf- (nog later: post- en telegraaf-)kantoor aan de Weversgas, waarvan wij in het vorige nummer een oude foto publiceerden. Hij zelf woonde in het grote huis hoek Langestraat-Weversgas, de latere ambtswoning van de Postdirecteur.
    Wansink had het grote perceel Langestraat-Weversgas , tot aan de Stadsdam, in 1863 van koopman Arend Lijser gekocht. In juli van dat jaar kreeg hij vergunning "tot het bouwen van een ringmuur en een koepel aan den kruin van den dijk" .
    Dat koepeltje moet dan gebouwd zijn op enkele tientallen meters afstard van dat van de dominee; maar of het inderdaad is gebouwd is niet bekend.
    Op 29 november 1870 vertrok hij naar Winterswijk. Of de opheffing der kostschool der "nawee" was ven de inkwartiering. is onbekend.

  • Watervoorziening op de tuinderij in 1915 uit Mededelingen jrg 5, 1979/80 nr 3 Open or Close


    Watervoorziening op de tuinderij in 1915

    uit Mededelingen jrg 5, 1979/80 nr 3
    Een vergeelde en enigszins beschadigde foto, waarvan wij door bemiddeling van Kring-lid, heer Jac. van Wissen, een reproductie ten behoeve van het Kring-archief konden laten maken, brengt in beeld hoe 65 jaar geleden op eigen bedrijf water werd gewonnen ten behoeve van het bespuiten der tuinderij.
    De opname, waarvan het origineel in bezit is van de heer Th Neijenhuis, Karstraat 48, laat nl. het tuindersgezin Neijenhuis-Scholten zien, zoals het in 1915 op het bedrijf in de bocht van de Karstraat tegenover het Zandsevoetpad (waar nu nog genoemde Th. W. Neijenhuis woonachtig is) poseerde tegen de achtergrond van een windmolen, waarmee water voor de bespuiting uit de grond opgepompt werd om dan te worden verzameld in het er naast staande houten, met zink beklede, reservoir.
    De heer H. Neijenhuis - vader van Th. W. - had de houten stellage van dennepalen zelf gebouwd en het ijzeren schoepenrad laten maken door Antoon ("Toonbaos") Veenhuis in de Langestraat.
    Er was zelfs een staart aan gemonteerd, waardoor het rad op de wind kon worden gedraaid. De knecht, Hendrik Janssen (geheel rechts) heeft de met het reservoir via buizen verbonden spuit in de hand.
    Het gezin Neijenhuis-Scholten staat vóór het platglas, dat toen de tuinderijen in Huissen kenmerkte.De kassen en warenhuizen kwamen nog slechts sporadisch voor.
    Op de foto v.l.n.r.: Hendrik Neijenhuis, Helena Neijenhuis-Schoiten met op haar arm Cornelis Neijenhuis (nu woonachtig te Wijchen) , dan de drie zusjes Gerarda (thans te Cuijk), Maria (thans religieuze te Sambeek) en Everdina (thans religieuze te Deursen bij Ravenstein), voorts dienstbode Mina Janssen (Overleden, laatstelijk te Gendt) en haar broer Hendrik (overleden).
    De windmolen van Neijenhuis was toentertijd niet de enige. Ook tuinder Gradus Tonk op de Vliegaan had (eerder) een dergelijke installatie, doch geheel van ijzer en in het Westland gekocht.
    Er werd toen echter ook reeds anders dan met windkracht water opgepompt. Burgemeester W.M. Helmich, eigenaar van De Altena, kreeg 25 maart 1914 vergunning tot "de oprichting eener inrichting tot het oppompen van water, gedreven door een benzinemotor van 2 PK".

    water Custom

  • Maiburgen in de greep der archeologie, uit Mededelingen jrg 5, 1979/80 nr 3 Open or Close


    Maiburgen in de greep der archeologie

    door Th.H. JANSSEN
    uit Mededelingen jrg 5, 1979/80 nr 3

    De graafwerkzaamheden ten behoeve van de bouw van een ANWB-station te Malburgen stelden de leden Th. Gerritsen en C. Neijenhuis van de sectie archeologie en mij in de gelegenheid waarnemingen te verrichten, die resulteerden in een diepe duik in de geschiedenis van Malburgen, voormalig Huissens grondgebied.
    In het zgn. Legerboek van Huissen (16e eeuw) bevindt zich nog een kaart met beschrijving van het Malburgse grondgebied. Op de kaart zijn naast de Rijnloop ook de wegen en landerijen aangegeven, alsmede de toen nog bestaande huizen, waaronder de pastorie en het huis van de koster, terwijl ook de kerk (toegewijd aan St. Margriet) is ingetekend.
    Vlak daarbij bevindt zich - op de kaart — een hof met voorhof, weike het restant is of moet zijn geweest van de Malberc, de Malburgse burcht. Het geheel is nog door de gracht omgeven.
    Onze waarnemingen brachten aan de zuid—oostzijde van dit voormalige burchtcomplex en wel buiten de burchtgracht een drietal afvalkuilen aan het licht, welke brandresten inhielden. Tussen de verkoolde massa's werden fragmenten van oud aardewerk aangetroffen. De scherven behoorden tot het Pingsdorfer-, Andenne- en Kogelpotaardewerk.
    Het Pingsdorfer aardewerk zien we in deze streken in de 12e/ 13e eeuw vergezeld gaan van een ander aardewerk, een geel product van een fijne structuur met lensvormige bodem en meestal een baan glazuur op de schouder.
    De kogelpotten waren o.a. aan de buitenzijde met een borstelstreekpatroon versierd. Naast ruw gevormde werden ook gladwandige kogelpotten aangetroffen, welke laatste van een dekselgleuf waren voorzien. Ze zijn uit dezelfde tijd.
    In overeenkomstig materiaal werden ook randfragmenten aangetroffen van grote borden of ondiepe schalen. Mijns inziens wijst alles er op, dat dit materiaal in combinatie (en daardoor ook de afvalkuilen) geplaatst kunnen worden in ruwweg de 12e/ 13e eeuw
    We hopen op de mogelijkheid van een verder onderzoek, daar de vuurkuilen wel eens in verband kunnen worden gebracht met de bouw van het Malburgse burchtcomplex.
    Het Malburgenvan nu bevat oppervlakkig gezien geen herinnering meer aan de bedrijvigheid van 900 jaar geleden. Toch zijn er voor een geïnteresseerde kijker in het terrein nog wat flauwe inzinkingen zichtbaar.
    Zij geven nog precies het verloop weer van de gracht, welke rond het burchtcomplex heeft gelopen.

    malburgen1kl

    malburgen2kl

  • Langekerkstraat en omgeving na de pastoriebouw van 1913, uit Mededelingen jrg 5, 1979/80 nr 3 Open or Close


    Langekerkstraat en omgeving na de pastoriebouw van 1913
    uit Mededelingen jrg 5, 1979/80 nr 3

    Het is me opnieuw gelukt om, dank zij een fortuiniijke ruil, beslag te leggen op een weinig bekende ansichtkaart van Huissen en wederom was het de uit een door J. Peters uitgegeven serie.
    Zij is echter van jongere datum dan die, welke onder de titel "Oud zicht op twee kerken" in hat vorige nummer werd afgedrukt. Ook nu echter is de r.k. pastorie aan de Langekerkstraat beslissing voor de datering.
    Toonde die vorige de op 30 maart 1912 afgebrande pastorie, de gereproduceerde ansichtkaart laat de nieuwbouw zien, die enkele maanden na de brand reeds was begonnen en in 1913 voltooid was.
    De opname dateert ook uit dat jaar, zelfs zeer kort na de voltooiing, want op de foto zijn achter de groep personern nog hopen zand (van de bouw) in de voortuin te zien. Bovendien blijkt die datering uit de afstempeling van het origineel, dat op 12 augustus 1913 vanuit Huissen door zekere Tjibbe werd gezonden aan Mej. A. Venekamp p/a mevr. Feith, Wagenweg 21 te Haarlem.
    De opname werd gemaakt vanaf de kerkhof, de hof (en begraafp!aats) rond de kerk, nl. het gedeeite langs de zuidgevei van de kerk, die toen door een muur (uiterst rechts) en - aan de pastoriezijde - door een hekwerk was omgeven.
    Vóór de pastoriernuur-met-hekwerk poseerden vier mannen, van wie er éém - links - vrijwel geheel schuil gaat achter de man vóór hem. Drie hunner dragen een pet; de middenste (voorzover orner de loep te zien) een bonnet en het lijkt te zljn pastoor, later deken H.B. Bodifee, die op 18 januari 1907 PEstoor G.J.J. Kersten was opgevolgd.
    Het viertal wordt geflankeerd door resp. vier en elf schoolmeisjes, die een witte boezelaar voor hebben an van wie de meesten klompen dragen. Een zestiende meisje is op de muur geklommen en houdt zich aan het nek vast.
    Uiterst links, naast de serre, is vermoedelijk een misdienaar te zien.
    Over de gebouwen, die op de foto voorkomen en waarvan er nog enkele bestaan, het volgende. Van de pastorie, die werd gebouwd onder architectuur van architect Oscar Leeuw uit Nijmegen (die aldaar o.a. het Concertgebouw De Vereeniging ontwierp) en waarvoor reeds op maandag: 12 augustus 1912 de eerste steen kon worden gelegd, is de noordelijke zijgevel met serre te zien.
    In tegensteling tot de afgebrande pastorie, die haar hoofdingang aan de kerkzijde had, stond de nieuwe, riante pastorie met de voorgevel naar de Langekerkstraat.
    Zij had aan de voorgevei een grote halfronde erker met op de bovenverdieping een balcon met loggia. Zij was van de straat gescheiden door eenzelFde lage muur met daarop een ijzeren hekwerk als aan de kerkzijCe (Zie foto) en was dus niet, zoals thans, aan het gezicht onttrokken.
    Bij de kerkverbouwing en -uitbreiding in 1933/34 werd de pastorie door een gang tevens plantenserre met de nieuwe sacristiesn verbonden. De pastorie van Oscar Leeuw overleefde de ooflog niet.
    Bij de brand van de kerk tengevolge van het brandbombardement op 13/14 mei 1943 had zij reeds gevaar gelopen en was men reeds begonnen haar leeg te dragen.
    Door het nathouden van de genoemde verbindingsgang kon zij echter gered worden. Bij het bombardement op 2 oktober 1944 were zij echter door een voltreffer geraakt.
    Van degenen, die in de keider toeviucht hadden gezocht, kwamen o.a. om het leven: kapelaan P. van Oosten, die van Arnhem—Zuid naar Huissen was gevlucht, pater Aug. v.d. Vaart O.P. , de huishoudsters Hedwig en Angela Brüggen en Wilhelmina Brons.
    Deken Th.J. van Wijk werd zwaar getroffen en overleed 's avonds in een kloostercel van het Dominicanenklooster. Na de bevrijding werd hetgeen wat overgebleven was van de pastorie gesloopt. Naast de pastorie stond (en staat nog, maar helaas achter een later bouwse! grotendeels aan het gezicht onttrokken) de St. Antoniuskapel van de Zusters Franciscanessen van Heijthuizen.
    Met de boww van de kapel werd 24 maart 1891 begonnen, waar zij reeds op 2 juli van dat jaar plechtig in gebruik werd genomen. Naast de kapel ziet men op de foto het oude gebouw van het St. Elisabethsklooster, dat midden dertiger jaren werd gesloopt en door een nieuw werd vervangen, thans het secretariegedeelte van het stadhuis. De hoge gevel er achter is die van het voormalige "Damesgesticht", het latere "Sancta Maria" , thans eveneens stadhuis. Tussen het "Damesgesticht" en de witte voorgevei is nog even het hoge pand van de fam. Geveling zichtbaar. De witte voorgevei is die van het grote pand, met bakkerij, winkel en woonhuis met stalling "De Zon" (het café van die naam is niet zichtbaar) van de fam. Geene. "De Zon" werd door brand verwoest op meizondag, 6 mei 1934. " Vóór" De Zon is nog vaag zichtbaar het nog bestaande (verbouwde) woonhuis Langekerkstraat 11 thans bewoond door de fam. Hendriks. Van daar af begon toen de langs de zgn. Kloostertuinen (de voormaiige Conventstuinen) lopende muur, die begin van de dertiger jaren werd gesloopt ten behoeve van de scholenbouw. Op de muur, ongeveer ter hoogte van het gebouw (voormal ige St. Antoniusschool), waarin thans raadszaal en documentatiecentrum zijn gevestigd, is nog een straatlantaarn te zien.
    G.BEDEAUX

    Langekerkstraat

  • De molen geschilderd door pater Hyacinthus Meijer O.P. , uit Mededelingen jrg 5, 1979/80 nr 3 Open or Close


    De molen geschilderd door pater Hyacinthus Meijer O.P.
    uit Mededelingen jrg 5, 1979/80 nr 3

    De Kring heeft van twee Huissenaren, die onbekend wensen te blijven, een schilderstukje ten geschenke ontvangen, dat op het omslag verkleind en in zwart-wit is gereproduceerd.
    Het paneeltje in olieverf (36 x 50 cm) heeft geen bijzondere artistieke waarde, maar is documentair interessant omdat het de in januari 1929 gesloopte torenmolen "van achteren" laat zien, d.w.z. vanaf de Rijnkant - mogelijk vanaf 'n punt op de zgn. Hoge Weide - en daardoor een blik gunt tévens op de bebouwing aan de Stadsdam (Gasthuisstraat vanaf het Dominicanenkloosler) tot aan de Stenen Paal, terwijl zelfs "Het Duifje" zichtbaar is.
    Vooral interessant daarbij is de in beeld gebrachte bebouwing hoek Gasthuisstraat-Burchtgracht, die in de wandeling "huurkazerne" werd genoemd.
    Het klooster is zelfs weergegeven met de eerste zijvleugelaanbouw aan het oorspronkelijke herenhuis "Het kasteel" .
    Helaas weten we niet of de - inmiddels overleden - (amateur-)schilder naar de natuur heeft geschilderd of naar een foto. De maker had met zijn werkje kennelijk geen enkele pretentie; hij was een zondagsschilder: pater Hyacinth(us)(Adrianus) Meijer O.P.(1)
    Deze in 1891 geboren Nijmegenaar, die op 28 augustus 1973 aldaar overleed, verbleef van 13 oktober 1927 tot juli 1934 in het Huissense klooster (2).
    Hij heeft dus de molen nog gekend en het is niet onmogelijk, dat hij hem tussen 1927 en 1929 naar de natuur heeft geschilderd, al zou hij dan echter ook het klooster met de later aangebouwde vleugels moeten hebben afgebeeld.
    Blijkens een notitie heeft hij het schiderij op 15 september aan onze schenkers cadeau gedaan. Zij konden ons echter omtrent de datering evenmin inlichten. Het schilderij van pater Meijer is overigens niet het enige, dat de molen "van achteren" laat zien.
    Men zie ook de penseeltekening van L.Wiersma (1921) in het Arnhems Gemeentemuseum. (Afgebeeld in BM Gelre,dl. LXVII I (1974/75) .

    1) Niet te verwarren met de bekende cantor p. Carl (Arnaud) Meijer O.P.

    Deze is op 8 nov. 1978 op 82-jarige leeftijd overleden te Nijmegen.
    2) Vriendelijke informaties van het Provincialaat der Dominicanen.

    molen

  • Veertig jaar geleden was Huissen „garnizoensstad" uit Mededelingen jrg 5, 1979/80 nr 1/2 Open or Close


    Veertig jaar geleden was Huissen „garnizoensstad"

    uit Mededelingen jrg 5, 1979/80 nr 1/2


    Op 29 augustus j. l. was het 40 jaar geleden dat de algemene mobilisatie werd afgekondigd nadat reeds in april tevoren de zgn. vóórmobilisatie had plaats gehad. Veertig jaar geleden was Huissen "garnizoensstad" opgenomen als het grondgebied der gemeente was zowel in de lijn van weerstand van de IJsselverdediging als in de lijn van weerstand van de zgn. Groep Betuwe, terwijl de zich nu nog tot de gemeente behorende Middelwaard aan de overzijde van de Neder-Rijn (schuin tegenover het Looveer) in het gebied van de voorverdediging van de zgn. IJssellinie was gelegen.
    Veertig laar geleden liep dwars door de gemeente Huissen de hoofdstelling van de eerste grensverdedigingslinie en enkele honderden militairen bevolkten toen Stad, Zand en Looveer. Vooruitlopend op de documentatie, welke de Historische Kring te zijner tijd hoopt te wijden aan de mobilisatie- en Oorlogsperiode 1939 - 1945 menen wij onze leden een geroegen te kunnen doen door de publikatie van enkele interessante foto's uit de mobilisatieperiode 1939-40.
    Wij danken de mogelijkheid tot publikatie van twee der foto's (de derde - van de officiersbeëdiging - is aan een in eigen bezit zijnde afdruk ontleend) aan ons lid, de heer H.W.Martens, die wij voor zijn geste zeer erkentelijk zijn. Waardevolle hulp bij de "identificatie" werd ons door de oud-torpedist, de heer A.v.d. Nieuwenhof te Eindhoven en zijn oud-wapenbroeder, de heer H. van Beers te Heusden.
    Ter begeleiding mogen wij de volgende bi jzonderheden verstrekken over de "militaire situatie" in de Over-Betuwe en in Huissen in die mobilisatieperiode. Gegevens daarvoor zijn, behalve uit eigen herinnering, geput uit de publikatiereeks van de Krijgsgeschied«undige Afdeling van het Hoofdkwartier van de Chef van de Generale Staf, "De Strijd op Nederlands grondgebied tijdens de Wereldoorlog II, Hoofstuk III, deel 2, Onderdeel D : "De verdediging van de Over-Betuwe door de Groep Betuwe van de Strategische Beveiliging mei 1940", 's Gravenhage 1952.

    mobilisatie1

    mobilisatie2


    Toen in april 1939 de zgn. strategische beveiliging werd ingesteld, werd die in de Over-Betuwe uitgevoerd door de Groep Betuwe. Deze groep bestond uit het 8e Grensbataljon ( 8 GB), het IIIe Bataljon van het 42e Regiment Infanterie (III-43 R.I.), enig personeel van de 11e Compagnie Pontonniers (11 C.Pn.), de grenswachtdetachementen Pannerden, Gendt en Beek, de dekkingsdetachementen Nijmegen-Spoorbrug en Nijmegen-brug voor gewoon verkeer, en de Groep Lent van de politietroepen.
    Sedert 1 december 1939 was de Groep Betuwe gesteld onder bevel van de commandant van de Brigade A De commandopost van de Groep Betuwe bevond zich te Elst, evenals die van iii-43 R.I. De groep vormde de schakel tussen de IJsselverdediging en de verdediging van het Maas-Waalkanaal en had tot opdracht een doormars door de Over-Betuwe zo lang mogelijk te vertragen. De terugtocht was voorbereid op de zgn. Betuwe-stelling in de lijn Ochten-de Spies, welke door Brigade A werd verdedigd. Tussen de Groep Betuwe en de Betuwestelling bevond zich het 6e Eskadron van het 1e regiment huzaren, dat na het teruggaan van de Groep Betuwe de vertraging en het contact met de vijand moest overnemen.
    Aanvankelijk liep de lijn van weerstand van de groep langs de noordelijke Waaloever van een punt tegenover de uitmonding van het Maas-Waalkanaal tot het fort Pannerden en van daar langs de westelijke oever van het Pannerdens Kanaal/Neder-Rijn . Later werd deze ongunstige en concentrisch aan te grijpen lijn vervangen door een kortere lijn, die van de Waaldijk over Bemmel en Huissen naar de Neder-Rijn (iets ten noorden van het Looveer) liep.

    mobilisatie3

    Situatie in Huissen
    Op het (toenmalige) grondgebied van de gemeente Huissen kwamen 2 verdedigingslinies bijeen. Op de Pleijen eindigde namelijk de lijn van weerstand van de IJsselverdediging (aldaar behorend tot de Groep IJssel-Zuid) terwijl enkele honderden meters zuidelijker - nabij het Looveer — de lijn van weerstand van de Groep Betuwe begon.
    We zullen ons verder uitsluitend bezighouden met de situatie op het huidige grondgebied van de gemeente Huissen, waar dus de lijn van weerstand van de Groep Betuwe begon.
    In Huissen waren de volgende onderdelen gelegerd: a. Detachement Torpedisten voor de in de Neder-Rijn nabij het Looveer aangebrachte Grondmijnversperring Nr2 . Het detachement , dat onder commando stond van de in de meidagen 1940 te Dordrecht gesneuvelde 2e luiterant L. Lucassen,beschikte over 2 lichte en 2 zware mitrailleurs. Het detachement was administratief ingedeeld bij de 3e Compagnie van het 3e Bataljon 43 R.I. (3-III-43 R.I.).
    b. de 3e compagnie van het 3e bataljon 43 R.I.(3-III-43 R.I.) onder commando van de reserve-kapitein J.F.J.Janssen. De stelling van deze compagnie liep vanaf het Looveer tot de onlangs gesloopte kazemat in de bocht van de Karstraat bij het Zandse Voetpad. Deze kazemat behoorde tot de stelling van de andere compagnie 3-III—43 R.I. was versterkt met twee secties zware mitrailleurs, een stuk pantserafweergeschut (pag) , een stuk "8 staal" (kanon van 8 cm.B staal) , dat in de Bloemstraat stond opgesteld.
    c. de 4e compagnie Van het 3e bataljon 43 R.I. (4-III43 R.I.), onder commando van de reserve—kapitein F.H. Berger. De stelling van deze compagnie liep vanaf de Onder b. genoemde kazemat tot iets voorbij de Karbrug op het grondgebied van de gemeente Bemmel waar nog 2 kazematten tot haar lijn van weerstand behoorde. "Naast" haar op Bemmels gebied, lag de 1e compagnie van het bataljon.
    Kazematten
    de beide in Huissen gelegerde compagnieËn beschikten op het Huissense grondgebied over 25 kazematten, nl. 17 in het ressort van de 3e (5 voor zware en 12 voor lichte mitrailleurs) en 8 (alle voor lichte mitrailleurs) in dat van de 4e compagnie. Bovendien waren er 6 putring- of aspergeversperringen (resP. bij Kerkelanden, de Geer, de POL (2), de Angerse dijk (bij zwembad De Grote Bloem) en Looveerweg (bij de sluis).

    Torpedisten "in veldslag"
    De Torpedisten, die vanaf april 1939 in Huissen gelegerd waren, namen in juni 1939 deel aan "de gevechten" tijdens de herdenking van het beleg en ontzet van 1502 door de beide gilden. Zij hadden met losse flodders een actief aandeel in het spiegelgevecht.


    Legering
    De militairen waren overal in Huissen gelegerd. Enkele torpedisten waren aan het Looveer ingekwartierd; de meesten echter lagen in de stad, aanvankelijk in het gevorderde Hoofdkwartier van de Verkennersgroep Mbaga op de Markt (Stadswaag),in de lokalen van de Openbare of Gemeente-school aan de Langestraat, waar zij , behalve over manschapsverblijven, ook over een kantine beschikten. De sergeants hadden hun bureau in het voormalige postkantoor aan de Weverstraat. De keuken van de torpedisten was ondergebracht in de schuur van hotel De Harmonie (Bosman) aan de Markt/ Rijnstraat.
    De militairen van de beide compagnieën van 43 R.I.waren gelegerd o.a. in : hotel De Gouden Engel, café De Poort van Cleve, het gebouw van de R.K. Volksbond, een barakkenkamp in de Karstraat (ter hoogte van autobedrijf Van Dalen). Officieren waren bij particulieren ingekwartierd. De commandopost van 3-III—43 R.I. was ondergebracht in een huis aan het Mariapiein, dat van 4-III-43 R.I. aan de Karbrug. Voor de "ontwikkeling en ontspanning" waren militaire tehuizen ingericht, een katholiek en een protestant. Het katholieke militair tehuis was ingericht in de voormalige woning van het hoofd van de openbare school aan de Langestraat, waarin later de oudheidkamer gevestigd werd.

    KADERLIJST
    Blijkens de publikatie "De verdediging van het Maas-Waa!kanaal en de OverBetuwe mei 1940" (Den Haag, 1952) zag, voor zover bekend, de kaderl ijst van de te Huissen gelegerde onderdelen er als voigt uit:
    3-III-43 R.I.:
    Res.kapt.J F.J. Janssen (comm. )
    1e luit.J.C.A.Langeveld (zw.mitr.)
    Res. 2e luit. A.J. du Marchie van Voorthuijsen
    Res. 2e luit. B.W.van Klaarbergen
    Res. 1e luit. J.C. Graauw
    4—IIII-43 R.I.:
    Res. kapt. H.F. Berger (comm.)
    Res. 1e luit. B. Verschuur
    Res. 2e luit. W. H.'t  Hart
    Res. 2e luit. G. de Meulder
    C.—Grondmijnversperring Nr. 2:
    (det. torpedisten)
    2e luit. L. Lucassen


    "Ontwikkeling en ontspanning"
    Ter illustratie van hetgeen voor de "ontwikkeling en ontspanning" ( O. en O.) van de in Huissen gelegerde militairen werd gedaan, mogen we de oproep citeren, die in oktober verscheen in 1939 verscheen in De Gelderlander en het Dagblad van Arnhem: "HUISSEN. Ontspanning van militairen - De legering van militairen in deze gemeente moet om meer dan een reden van beteekenis worden geacht voor de ingezetenen. Bovendien leeft ieder rechtgeaard Nederlander mede met zijn medeburgers, die ter handhaving van de Nationale Onafhankeijkheid onder de wapenen gehouden worden. Nu het verblijf onder de wapenen een langdurig karakter gaat aannemen dan aanvankelijk verwacht, bestaat er alle aanleiding voor de ingezetenen blijk te geven van hun medeleven met de plaatselijk gelegerde militairen.
    Daarom doet het Comité uit de Burgerij een ernstig beroep op de bevolking in al haar geledingen een bijdrage te schenken bij gelegenheid van de inzameling, welke zal worden gehouden door middel van het in ontvangst nemen van een enveloppe, waarin men verzocht wordt zijn gave te willen sluiten. Bij twijfel vrage men den met het ophalen van de enveloppen belasten persoon naar diens legitimatie. Het ligt in de bedoeling de opbrengst der collecte aan te wenden tot het veraangenamen van het verblijf der militairen ter plaatse, een en ander in overleg met de militaire overheid en tot instandhouding van de beide Militaire Tehuizen in het bijzonder. In de toekomstige documentatie zal nader en gedetailleerder op de mobilisatieperiode worden ingegaan.
    H.W.J. DERKSEN

    Een bericht uit Huissen in De Gelderlander van nov. 1939: in het veilinggebouw werd een folkloristische avond gegeven door den alom bekenden folklorist D.J.van der Ven uit Oosterbeek.
    De zaal was vol belangstelling.
    Onder de aanwezenden merkten we o.m. op de Geestel. en Plaatselijke Overheid, verschillende officieren en enkele burgers; terwijl de leden der beide Schuttersgilden als eeregasten hierbij tegenwoordig waren.
    De avond werd geopend door Luitenant Grouw, die allen hartelijk welkom toeriep, speciaal den heer en mevrouw van der Ven, die dezen avond voor de grenstroepen verzorgden... In de pauze wachtte onze landsverdedigers nog een verrassing en werd voor hen door de Vendeliers van de Gilden een demonstratie in het vendelen gegeven wat door hun zeer op prijs werd gesteld...
    Ook de Niemeijers Tabakfabrieken "Tabak Van Vader Op Zoon" bleven hun devies gedachtig bij onze soldaten. Allen kregen een pakje heerlijke tabak....
    Kwatta Breda, bij onze soldaten overbekend, liet zich ook niet onbetuigd en tracteerde op kwatta-chocolade.Dat deze versnapering bij onze jongens zeer welkom was, laat zich begrijpen".

  • Joodse begraafplaats lag aan de stadsmuur bij de Arnhemse Poort" Uit Mededelingen jrg. 5, 1979/80 nr. 1/2 Open or Close


    "Joodse begraafplaats lag aan de stadsmuur bij de Arnhemse Poort"

    Uit Mededelingen jrg. 5, 1979/80 nr. 1/2

    Volgens Stadsrekening van 1697/98; Joodse begraafplaats lag aan de stadsmuur bij de Arnhemse Poort
    door H.W.J.DERKSEN en J.H.F. ZWEERS

    Vier jaar geleden, in "Mededelingen", 1e jrg., nr. 1 (sep./okt. 1975) werd de vraag aan de orde gesteld: "Waar lag Huissens Joodse begraafplaats ? " .
    Een antwoord op die vraag was onmogelijk bij gebrek aan enig gegeven over de localisering, behalve dan de summiere vermelding in Fritz Baer, Das Protokollbuch der Landjudenschaft des Herzogtums Kleve (1): In Huissen wünscht Nehemias Salomon aus dem benachbarten Pannerden (...) ein Haus anzukaufen. Seine Eltern sollen entweder in H. wohnhaft gewesen oder wenigstens auf dem dortigen Judenfriedhof, welcher unter dern Deich fast vergraben ist, beerdigt sein". (l)
    Deze mededeling werd ook in De Joodsche Middenstander van 18 maart 1938 geciteerd door dr. Jac Zwarts in zijn artikel "Zeven eeuwen Joodsch verieden van Arnhem" : "hier (in Huissen. HD/JZ. ) was de oudste begraatplaats van de Joden in Arnhem, thans bijna onder den Dijk geheel bedolven" .
    Naar Zwarts' artikel werd op zijn beurt verwezen in een artikei van A.G. Steenbergen te Wageningen, "De Joodse begraafplaats in Arnhem" in de juni—aflevering, nr. 65/1975, van het "Gelders Oudheidkundig Contactbericht" .
    Intussen trof ons medebestuurslid dr E. Smit in het Hatuptstaatsarchiv te Düsseldorf een brief aan van Commisarius Loci Von Hoven van 31 januari 178B, welke als volgt begint: "Zu Huijssen sind ehedenn Juden wohnhaft gewesen und haben darbey auch einen eigenen Kirchhof gehabt, welches zum Theil unterm Deich vergraben isst. (2)
    Over de plaats en de bestaansperiode van het kerkhof geeft het dossier (2), dat handelt over het al dan niet toelaten van een tweetal patriotse Joden (Levi Meijer uit Wormenhuizen en de eerder genoemde Nehemias Salomon uit Pannerden) , geen uitsluitsel.

    joodsebegraafplaats1 Custom

    joodsebegraafplaats2 Custom

    Ook in de hypothekenatlas en het hypothekenboek van het Ambt Huissen vonden we niets naders over een Joodse begraafplaats. Een dossier,waarvan tweede ondergetekende te Düsseldorf de omschrijving vond ("Akten wegen der Beschwerden des Peter Pilat zu Huissen überhörte Behandlung in Sachen des Juden Meyer Isaac Zu Kleve, namens des Juden Benjamnin Polack im Haag, 1773") bleek in de oorlog helaas verloren te zijn gegaan.
    Voor ons bleef dus de vraag: waar precies lag die begraafplaats?
    In de volksmond heette het attijd - tengevolge van een onjuiste interpretatie — dat het zogenaamde Oude Kerkhof" (het terrein tussen Helmichstraat en Kempke) de voormalige Joodse begraafplaats zou zijn geweest. Weliswaar ligt dit "Oude Kerkhof" buiten de stadsmuur, zoals met Joodse begraafplaatsen het geval was, maar, afgezien van het feit, dat het té ver van de Dijk is gelegen om daaronder bijna geheel bedolven te kunnen zijn, was de veronderstelling bij degenen, die zich met Huissens historie bezighouden, al snel van de hand gewezen.
    Het "Alde Kerckhof", zoal het reeds in de 16e eeuw werd genoemd (3) , nadat in 15e eeuwse schepenoorkonden steeds sprake is van een "stuck lands geheiten die Kerckhoff"(4) was een (de oudste ? ) christelijke begraafplaats van (een ouder ? ) Huissen.
    Onze gedachten gingen al geruime tijd uit naar de andere - de Arnhemse - kant van de stad, waar de situatie eerder aan het gegeven "bijna onder den Dijk geheel bedolven" voldeed. Het gelukte ons echter niet een bevestiging van deze vermoedens te vinden.Totdat we dan onlanks een gezamenlijk onderzoek instelden in de 17e en 18e eeuwse Stads— en van Huissen, walke zich sinds 1388 in het Rijksarchief ven Gelderland te Arnhem bevinden (5).
    In deze rekeningen is telken jaren een post ontvangsten ("extra ordinaris ontfanck") — vanaf 1740 met de vermelding: "Von Juden Begräbnissenn — opgenomen, aangezien de Joodse begraafplaats eigendom van de stad was. Dit blijkt ten overvloede uit een notitie in de stadsrekening van 1713, luidende: (6)
    "Den Joden Kerckhof gehoort tot die Stadt en inval eenen ouden Joden daarop begraven word, daar van profiteert die Stadt 2 g.l. ende een minder jaerigen nae proportie".
    Bij dat gezamenlijk onderzoek vonden we tenslotte ook het antwoord op de vraag waar de Joodse begraafplaats was gelegen. In de (oudst bewaarde) Stadsrekening, die van 1697/98, wordt namelijk terloops bij de betrokken ontvangstpost vermeld: "Over dit jaer zyn geen Joden bij de Arnhemse Poor aen StadtsMuijr begrave...
    Deze notitie bevestigde derhalve ons vermoeden. Het begraafplaatsje bestond in 1788 nog, althans gedeeltelijk, hetgeen blijkt uit de brief van Commissarius Loci Von Haven. Tot wanneer er uit Huissen afkomstige Joden nog werden begraven, staat niet vast. In elk geval was zulks — zoals blijkt uit de negatieve vermeldingen in de Cämmefey-Rechnungen — na 1740 niet meer het geval.
    De Arnhemse Joden vonden er toen nog wel steeds hun laatste rustplaats. Op 12 September 1755 dienden de Arnhemse Joden Salomon Cohen Jacobs en Samuel Levi een request in om een eigen begraafplaats in Arnhem te verwerven. Als argumenten voerden zij aan: Dat alhier (in Arnhem. HD/JZ.) geen kerkhof hebbende Sij geobligeert sijn in cas van sterfgevallen groot oncosten tot het transporteeren van haare lijken na Huissen aan te wenden, en vermits op het kerkhof aldaar geen plaats meer is (7).
    Uiteindel ijk verwierven de Joden te Arnhem een begraafplaats "op de zogenoemde Sinkenberg aen den Sandberg" (8)  


    Cämmerey - Kämmerei

    Ook nu nog wordt in Duitsland de te onzent als gemeente-ontvanger (ook: comptabele) bekende functionaris de "Kämmerer" (oud: Cämmerer) genoemd. De "Cämmerey" (in huidig Duits: "Kämmerei") was dus te vergelijken met het "kantoor van de gemeente-ontvanger. De "CämmereyRechnung" was de jaarlijks door de "Cämmerey" opgestelde rekening van de inkomsten en uitgaven der stad. In de Pruisische tijd, met zijn sterk centraliserende tendenzen, moesten de Cämmerey-Rechnungen, in tegenstelling tot de stadsrekeningen van vóór die tijd, overeenkomstig een voorgeschreven model worden ingericht
    .



    Waar nu moet het Joodse begraafplaatsje aan de Arnhemse Poort gelocaliseerd worden ? Drie gegevens kunnen ons helpen bij het zoeken naar een antwoord. Het zijn: 1. de Arnhemse Poort; 2. "aen Stadts Muijr"; 3. "unterm Deich fast vergraben" ( "Thans bijna onder den Dijk geheel bedolven") .

    joodsebegraafplaats3 Custom


    Het laatgte gegeven wijst er zonder meer op, dat de begraafplaats moet worden gezocht bij de stadsmuur aan de oostelijke zijde van de Arnhemse poort, daar waar zich de Dijk (Stadsdam) bevond. Aan de westelijke zijde bevindt en bevond zich geen dijk, maar de (lager gelegen) Wijngaardse Hoven ("Wigaertz Haeven). Er zijn dan maar 2 plaatsen, die naar onze mening kunnen overblijven: de voorrnalige "driehoek" (thans veranderd tengevolge van de reconstructie van de op/afrit bij de Arnhemse poort) , begrensd door de Damstraat,de dijkafrit en de Arnhemse Poort (het oostelijk straatgedeelte tussen het pand van de fam. Bosman/Jeurissen en café Arnhemse poort)
    Op deze "driehoek" stonden tot vóór genoemde reconstructie enkele oude huisjes. En van de stadsmuur' waaraan de begraafplaats was gelegen, werd uitgerekend het laatste fragment, dat bene op de zgn. Rijksmonumentenlijst stond, enkele jaren geleden - na de sloop van die huisjes, die er tegen aan gebouwd waren — onverhoeds gesloopt.
    Als deze "driehoek" de plaats is geweest, lag het begraafplaatsje
    niet op hetzelfde niveau als waarop tot voor enkele jaren de huisjes stonden en thans het plantsoen is gelegen. Door de ophoging van de Stadsdam in 1809/10 verdween het Joodse begraafplaatsje dan totaal onder de dijkvoet. Daarvóór waren er echter reeds ophogings- en verbeteringswerkzaamheden verricht wegens dijkbeschadiging in de 18e eeuw.
    Het gehele terrein rond de Arnhemse Poort is aanzienlijk opgehoogd zoals reeds eerder is uiteengezet rond de opgravingen van het poortrestant aldaar (10). Als het Joodse begraafplaatsje dus dáár moet worden gezocht, dan lag het ca. anderhalf à 2 meter lager.
    Tégen de "driehoek"' als begraafplaatsie spreekt echter de situatie ter plaatse zoals getekend op een Pruisische kaart uit begin 18e eeuw, waarop langs het betrokken stadsmuurgedeelte bij de Damstraat een haventje is aangegeven. De tweede mogelijkheid dán is het terrein vóór de Arnhemse Poort (thans doorsneden door de Stadswal) , waar tot aan de reconstructie het huis met schuur "Welgelegen" (laatstelijk van de fam. Derksen-Martens) stond, naast het pand van rijwielhandel Siepman (11) . Een nader Onderzoek , mede aan de hand van de oude kaarten en mogelijk door archeologische opgravingen, zal ons hopelijk uitsiuitsel kunnen geven.
    Een studie over te Huissen woonachtige Joden tot begin 20e eeuw en over de begrafenissen aldaar is nog niet afgerond en vereist nog uitgebreid cnderzoek.
    NOTEN
    1) Berlin 1922, Band l, pg. 57, noot 8.
    2) SAD, Kieve Kammer Nr. 3688. "Acta wegen der in der Stadt Huissen hier angesetzten Juden 1788—1789"
    3) Dit kerkhof wordt reeds alszodanig genoemd op de kaart "Die Stat Huissen 1586" RAG, Domeinadministratie nr. 9.
    4) RAG, Cartulariurn van het St. Elisabethsconvent, fol. 140 (1440) , fol. 141 (1449) etc.
    5) RAG, Domeinadministratie Huissen Nr. 3.
    6) id, Stadsrekening 1713, fol. 7.
    7) Gemeentearchief Arnhem, Commissie- en politieboeken fol. 69v.
    8) Deze begraafplaats bevond zich dus bij de Sandberg, aan de voet van de Sinckenberg aan de Utrechtseweg bij het Gemeenternuseum en is daar nog te zien.
    9) H. Derksen en J. Zweers, "Het koepeltje der pastorij" , in:Mededelingen HKH, jrg: 3, nr. 4, pg. 144—148.
    10)Th. H. Janssen, De Arnhemse Poort te Huissen, in:Mededel ingen HKH, jrg. 2, pg. 134-139.
    11)Het betrokken pand is toevallig te zien op de foto's,gepubliceerd in dit nummer op pg. 17 en op pg. 37.

  • "Oud zicht" op twee kerken, uit Mededelingen jrg. 5, 1979/80 nr. 1/2 Open or Close


    "Oud zicht" op twee kerken"

    Uit Mededelingen jrg. 5, 1979/80 nr. 1/2

    Niet zonder moeite gelukte het me onlangs om bij een professioneel verzamelaar van prentbriefkaarten beslag te leggen op een zeer oude ansichtkaart van Huissen, die me bijzonder interessant leek om juist in "Mededelingen" af te drukken. De foto werd namelijk gemaakt op het terrein van het voorrnalige St. Elisabethsconvent en wel aan het einde van het kerkhofpad, dat de voorganger was van de huidige Conventstraat, waar nu een gedenksteen aan het verblijf van Johannes van Neercassel herinnert. Onder de afbeelding staat gedrukt: "R.C. Kerk Huissen - uitg. Peters Huissen 4800". Uit welk jaar de kaart dateert of wanneer zij werd verzonden, is niet na te gaan omdat de afdruk van het poststempel te onduidelijk is.
    Wegens één der op de foto afgebeelde gebouwen, nl. de r. k. pastorie (rechts), weten we echter, dat de kaart in elk geval van vóór 1912 dateert. Die pastorie brandde nl. in de vroege morgen van donderdag, 30 maart 1912 af. De kaart is dus op zijn minst ruim 67 jaar oud. Zij is des te interessant omdat op één na alle er op voorkomende gebouwen zijn verdwenen. Het enige nog behouden gebleven pand is de zgn. Gelderse gevel in de Langestraat, die ( zij het wat moeilijk) te herkennen valt. De markantste gebouwen, waarop de kaart "oud zicht" geeft, zijn de twee kerken. Links de stadsparochiekerk, een laatgotische driebeukige kerk, waarvan de zijbeuken langs de oudere (Gangulfus-)toren doorliepen. Boven het geboomte is het torentje waarneembaar van de 8-zijdige sacristie, die in 1883 door architect Tepe ten zuiden van het priesterkoor werd gebouwd. De andere is de in 1871 onder architectuur van de Waterstaatsopzichter S.A.Fijnebuik (die ook het zgn. Waterstaatsstadhuis op de Markt ontwierp) gebouwd werd door aannemer A . Beuning uit Nijmegen, ter vervanging van het oude uit 1560 daterende kerkje.
    Tot nog toe heb ik een dergelijke opname van de achterzijde van dit kerkje, dat ten tijde van de opname nog niet door geboomte aan het oog was onttrokken, niet gezien.
    De foto werd gemaakt in de zgn. Klooster(covents-)tuinen aan het einde van het kerkhofpad. Deze tuinen waren van de Langekerkstraat door een lange muur gescheiden, die — zij het wat moeilijk - nog zichtbaar is.

    G. BEDEAUX

    2kerken

  • Huissens Stadhuis had zes voorgangers, extra bijdrage van de HKH in 1978 Open or Close

    Huissen, juli 1978, Aan onze leden.

    Hooggeachte Dames en Heren,
    Het is ons een genoegen U hierbij aan te bieden een exemplaar van de uitgave "HUISSENS STADHUIS HAD ZES VOORGANGERS" welke de Historische Kring ten behoeve van en voor rekening van het gemeentebestuur van Huissen heeft verzorgd, ter gelegenheid van de ingebruikneming van het nieuwe stadhuis aan de Langekerkstraat.
    Het werd het gemeentebestuur overhardigd tijdens de installatie van de nieuwe burgemeester.
    In ons aanbod aan het gemeentebestuur was begrepen de beschikbaarstelling aan de Kring van evenzovele exemplaren als de Kring leden telt; vandaar, dat wij U dit exemplaar kunnen aanbieden.
    Het geschrift mogen wij U gaarne ter lezing aanbevelen aangezien het - behalve tal van bekende gegevens over de voormalige "stadhuizen" - interessante, tot nog toe onbekende, bijzonderheden bevat, met name b.v. over een afgewezen plan voor de bouw van een stadhuisje in 1822/23, waarvan tot onze verrassing de ontwerptekening bleek te zijn bewaard.
    Wij hopen U met deze toezending een genoegen te doen en en verbl ijven, met vriendelijke groeten en

    Hoogachting ,
    HISTORISCHE KRING HUESSEN
    - Het Bestuur -


    Huissens stadhuis had zes voorgangers

    Op donderdag, 2 juni 1978 is het nieuwe Huissense stadhuis in de Langekerkstraat — voorheen klooster/ bejaardencentrum en kleuterschool — officieel geopend door de Commissaris der Koningin in de Provincie Gelderland, mr. W. J. Geertsema. Het was bijna veertig jaar nadat één van zijn voorgangers, mr. S . baron van Heemstra, op 9 december 1938, eenzelfde ceremonie had verricht in de tot stadhuis ingerichte voormalige burgemeestersvilla "De Altena" aan de Helmichstraat.
    Deze villa verving op haar beurt het zgn. Waterstaats—stadhuis op de Markt, dat ruim 70 jaar tevoren was gebouwd en met een plechtige raadszitting, doch zonder enige festiviteit en buiten aanwezigheid van de vertegenwoordiger des Konings in de Provincie Gelderland in gebruik was genomen. Op die niettemin feestelijke dag — dinsdag, 3 december 1867 — was een einde gekomen aan een periode van ruim een halve eeuw, waarin de gemeenteraad had moeten bijeenkomen in kamers in particuliere huizen, die als raadszaal" waren gehuurd, terwijl de gemeentelijke administratie was ondergebracht ten huize van de burgemeester.
    Deze lange periode van gehuurde onderkomens was een gevolg van de brand, die de Fransen in januari 1795 in het eeuwenoude stadhuis op de Markt hadden gestoken én van het feit, dat Gedeputeerde Staten van Gelderland in 1823 een plan tot bouw van een (klein) stadhuisje hadden afgewezen Omdat de begroting f 297,80 hoger was uitgevallen dan de aanvankelijk door de gemeenteraad geschatte en aan de Hoofdschout van Overbetuwe opgegeven bouwkosten van f. 500,-.
    Het huidige stadhuis is het zevende in de rij, afgezien van twee tijdelijke onderkomens van de gemeentelijke administratie in de oorlogsmaanden september/oktober 1944 en in de eerste maanden na de bevrijding. Over Huissens voormalige stadhuizen en het afgewezen plan van 1822/23 mogen de volgende historische bijzonderheden worden aangeboden.

    1. Het oudste stadhuis op de Markt
    In elk geval in het midden van de 17e eeuw, doch mogelijk reeds een tweetal eeuwen eerder, was de magistraat gevestigd in de gebouwen op de Markt, die afkomstig heetten te zijn van de Tempelieren, zonder dat tot nu toe het historisch bewijs voor de vestiging van de Tempelridders te Huissen is geleverd kunnen worden. De langs de Markt lopende straat draagt niettemin van oudsher hun naam en ook bij de toenmalige stadsbestuurderen wist men niet beter of de Tempelieren waren de stichters van de gebouwen. Zo schreef burgemeester J.F. Pilgrim (1785—1814) op 4 december 1814 aan de "Landrath des Kreises Rees" :"Schon seit einigen Jahren ist auf die Wacht—Stube, welche eine alte Kapelle der vormaligen Tempelherren, wovon das ganze Rathaus abstammt, gewesen ist...
    Het gebouwencomplex bestond, voor zover bekend, uit een hoofdgebouw en een koepelvormige ( gewelfde) kapel. Afbeeldingen zijn helaas tot nu toe niet gevonden; Wél zijn plattegrondtekeningen uit het eerste kwart van de 19e eeuw aanwezig, waarvan er hier twee worden gereproduceerd. Dat deze gebouwen in elk geval in de 17e eeuw mede als stadhuis in gebruik waren, blijkt uit het feit, dat er melding van wordt gemaakt, dat de protestanten er rond 1611, bij gebrek aan een eigen kerkgebouw, hun godsdienstoefeningen mochten houden , ook al moest de magistraat daartoe aanvankelijk door een Officier van het Brandenburgse garnizoen van Huissen toe gedwongen worden.

    stadhuis1
    De situatie op de Markt in 1809/10 ten tijde van de verlegging van de Stadsdam, naar de "Kaart van de Stadsmuur en dam". (Alg. Rijksarchief, coll. Hingman). Wij hebben met letters de situatie verduidelijkt. A=stadhuis (het is niet precies bekend wat het hoofdgebouw en wat de kapel was) ; B=het Gasthuis; C=het pand, dat in 1867 het huis van "Looman" was geheten (zie "Plan voor bestrating van het stadhuisplein in 1867); D= de zgn. Stadhuistuin.

     stadhuis2

    Aan een ongestoorde behuizing in het stadhuis kwam een einde nadat de Fransen op zondag, 11 januari 1795 waren binnengetrokken en door de Magistraat waren ingehaald. Hetzij vanwege de vinnige kou, hetzij uit louter ballorigheid staken zij de brand in de stadhuis, waarbij o.a. het archief met zijn kostbare stukken verloren ging, "de grond glad was van de was" (van de oorkondezegels) en het stadhuis zware beschadigingen opliep.
    Na enkele jaren moest de magistraat dan ook besluiten om de stedelijke administratie elders onder te brengen en wel ten huize van burgemeester J.F. Pilgrim in de Langestraat (het nu nog bestaande herenhuis, nr. 35 , thans woning— en meubelinrichting B. Steijntjes). Hij ontving daarvoor - "als Huur van het gemeentehuis" — een bedrag van f. 26. . De raad vergaderde toen in de "Stadsherberg", nu nog: Tempelierenstr. 2.
    Het hoofdgebouw op de Markt verkeerde in een dergeli jke toestand van verval , dat het reeds in 1805 Of 1806 van dak en plafonds was ontdaan. Slechts de vier hoge muren waren blijven staan, zoals de burgemeester aan de "Landrath" mededeelde. Wél in gebruik bleef nog vele jaren de oude kapel, als vergaderruimte voor de raad, als archief en als lokaal voor de "Kön. Preuss. Landsturmwacht" . Waterdicht was de kapel echter niet, zoals blijkt uit een incident, dat zich op 23 juni 1806 voordeed toen de broeders van het St. Gangulphusgilde, die in het hoofdgebouw mochten vergaderen, wegens de bouwvallige situatie aldaar naar de kapel waren uitgeweken tégen het uitdrukkelijk verbod van de magistraat in.
    Voor welk vergrijp zij voor de Richter te Zevenaar werden gedaagd: "Da die Broderschaft von Gan:Golfus in Huissen beschuldigt worden ist, dass dieselbe am 23 v. M. gegen den Willen des Magistrats zu Huissen das Archivzimmer hat offnen lassen, sich dieselbe mith einer gewaltsamen Weise bemâchtigt hat... " , aldus Richter Weinhagen

     

     

     

     

     

     

     

     

     

     

     

     

     

    STADHUISKLOK VERKOCHT AAN ANGERSE "GEREFORMEERDE KERK"
    Uit de raadsnotulen van 17 nov. 1820: Is besloten om van den Heer F. C. Cock te Angeren onverwijld terug te vorderen de van de Stad geleende Klok, tenzij hij zich verstond daaroor te betalen Eene gulden per pond... Uit de raadsnotulen van 17 apr. 1822: "De Schout maakte ( ...) bekend, dat de Gebroeders Cock te Angeren ten gebruike der Gereformeerde Kerk aldaar voor de klok van het voormalig Stadhuis hadden geboden Eene Gulden zeventig Cents per Nederlandsch pond (...). Dierhalven besloot de Gemeenteraad om voorbehoudens de Approbatie van het Gouvernement aan de Gebroeders Cock te Angeren de gemelde klok voor het gedane bod over te geven... Ontvangstpost bij de gemeenterekening van I"823: "Wegens een voorbehouden hoogere approbatie, verkogte klok ontvangen van d'Heeren Gebroeders J.en C.Cocqte Angeren wegens een verkogte Klok van het Stadhuys wegend 96 Ponden à 17 Stuiver het het Pond, f. 81,60

     

    Het stadhuisplan van 1822/23

    stadhuis16Het ontbreken van een "echt" stadhuis en de aanwezigheid van een ruïneuze situatie op de Markt irriteerden de vroede vaderen en ongetwijfeld ook de burgers. De raad, onder voorzitterschap van Schout J.J.E. Pilgrim, constateerde in zijn vergadering van 4 juni 1822 "Dat het ter verfraaijing der Stad te wenschen was om tot opbouw van een Gemeentehuis over te gaan terwijl tegelijker tijd dat gedeelte wat van het oude stadhuis nog staat, tot bergplaats der Brandspuiten en Brandgereedschappen die thans tot groot nadeel derzelvens in de Roomsche Kerk worden bewaard, konde worden ingerigt" .
    Een monumentaal gebouw, zoals het vroegere stadhuis ongetwijfeld geweest moest zijn, kon het verarmde en in de schulden stekende Huissen, dat nú jaarlijks f. 8O,- moest betalen voor de "huur van de gemeentekamer" , zich echter niet veroorloven.
    Op zegge en schrijve vijfhonderd gulden werden de bouwkosten geraamd, maar het "gebouw" was dan ook navenant, zoals uit de bewaard gebleven tekening (zie pg. 5) van timmerman-aannemer Hendrik Weitjens blijkt: een eenvoudig huisje, aangebouwd tegen een ander huisje ("het huis van Jan Meyer") en bevattende slechts een kamer voor de raad, een bodekamer, een bergplaats voor de brandweermaterialen, een gevangenhok, een "secreet buiten" en een zolder. Het was een armoedige behuizing, die amper "ter verfraaijing der Stad" kon bijdragen .
    "De kosten van opbouw op vijfhonderd Gulden begroot wordende, zoo vermeende de Gemeenteraad" - aldus de verhandel ingen " dat de Intressen van dat kapitaal, gevoegd bij de kosten van jaarlijksche reparatie en het aanschaffen der nodige meubels, vuur en licht geene tachtig Gulden zouden bedragen. Eindelijk vermeende de Gerneenteraad, dat de finale termijn van betaling behoorde bepaald te worden op den 15en July aanstaande" .
    Op 20 juni 1822 delibreerde de raad opnieuw over de zaak en met name over de financiële aspecten.
    Om de kosten kennelijk zoveel mogelijk te drukken in verband met de mogelijk te verwachten bezwaren van Gedeputeerde Staten, was inmiddels afgezien van het inrichten van het oude stadhuisrestant tot bergplaats voor de brandweer. "Dat ter Delging van de jaarlijksche uitgave van f. 80,- voor Huur van de Gemeente Kamer den Gemeenteraad mogt worden geauthoriseerd om een gedeelte der in de Gemeente Kas voorhandene penningen te bezigen tot opbouw van een nieuw Gemeentehuis hebbende een paar leden van den Gemeenteraad de kosten daarvan door deskundigen laten opnemen en bevonden, dat de kosten van een dusdanig locaal met twee vertrekken mitsgaders eene annexe bergplaats voor de Brandgereedschappen waartoe het thans nog voorhandene gedeelte van het oude raadhuis konde gebezigd worden, niet hoger zouden beloopen dan vijf honderd Gulden, zoodat de Intressen daarvan gevoegd bij het benodigde vuur en licht geene f. 80 . zoue bedragen.
    De laatstgernelde bergplaats beschouwde men als allernoodzakelijkst, daar niet alleen tot groot ongerief maar zelfs tot bederf van het Lederwerk, de brandgereedschappen in de Roomsche kerk bewaard worden, waar men reeds eenmaal uit baldadigheid verscheiden sneden in de slangen heeft gedaan zonder dat de dader heeft kunnen ontdekt worden...
    Met een uittreksel uit de notulen werd het verzoek om toestemming voor de bouw "van een nieuw gemeentehuis uit een gedeelte der in de Gemeente Kas voorhandene penningen" gezonden aan de Hoofd schout van Over—Betuwe te Elst, D.R.S. van Lynden, die het op zijn beurt met advies doorzond aan Gedeputeerde Staten.

    Van Lynden berichtte hun, dat hem daartegen geene bedenkingen zijn voorgekomen, dan alleen dat de opgegeven schatting der kosten van dien opbouw ad f. 500,- door een behoorlijk bestek en begrooting nader zou behooren te worden gestaafd, weshalve ik " — aldus de Hoofdschout — " behoudens die aanmerking vermeen, U EdGrtbr. gunstige dispositie op het voorzegde voorstel te mogen verzoeken" . Van Lyndens advies werd in handen gesteld van de Gecommitteerden tot de finantien, naar aanleiding van wier rapport de Hoofdschout het verzoek kreeg "om van den Gemeenteraad te vragen een behoorl ijk bestek en teekening benevens eene specifieke gedetailleerde begroting van kosten teneinde alsdan daarover nader te kunnen delibreeren"

    "DE STEENEN WORDEN VAN TIJD TOT TIJD WEGGEHAALT EN GESTOOLEN .....

    ... Bij de vorige Regeering is het Oude stadhuis hier in de Stad, hetwelk uit twee kamers bestond en den inval dreigde, op hoogeren ordre van vooren afgebrooken en die daarvan gekomen materialien zijn voor weinig geld opentlijk ten voordeelen van de Stadskas verkogt. Van Agteren is nog een klein Kamertjen overgebleven, waar nog voor en na Raadsverzamelingen gehouden worden.
    Van de groote Kamer voor aan de Markt bleven vier muuren staan waarvan er nu eene is ingestort en de andere drie ook dreigen te vallen waardoor zomwijlen ongelukken voor Menschen konde gebeuren. De steenen van de ingestorte muuren worden van tijd tot tijd weggehaalt en gestoolen..." (Uit brief van Maire J.F. Pilgrim aan de Prefect van het Departement van den Boven-IJssel dd. 21 januari 1812, GAH - OA 20)


    Op de schatting van de gemeenteraad wensten GS niet in te gaan, mogelijk omdat hun het bedrag als onwaarschijnlijk laag voorkwam en zij een overschrijding der kosten - zoals die thans usance is - vreesden.
    Kennelijk heeft men in Huissen met dat nadere verzoek danig in de maag gezeten, want het duurde tot januari 1823 voordat de Hoofdschout bestek, tekening en begroting ontving. De reden van de vertraging laat zich gemakkelijk raden. In plaats van het door de raad geraamde bedrag van f. 500,- kwam de door Hendrik Weitjens op 18 januari 1823 opgestelde "Siering van Kosten tot het Aanleggen en bouwen van een gemeentehuis te Huissen" uit op een bedrag van liefst f. 797.80; een overschrijding met f. 297.80  of bijna 38%.
    Op deze aanzienlijke verhoging leverde de Hoofdschout Van Lynden in zijn brief aan G. S. merkwaardigerwijze geen enkel commentaar. De enige "observatie", die hij meldde, was, "dat in het voors: bestek de reserve van UEdGrtbr. approbatie der aanbesteding verzuimd is, welke dus, behalve andere door U EdGrtbr: goed te vindene verander ingen, eventueel de plaats van het laatste artikel zal behooren te bekleeden" .
    Ook de laatste Huissense zending werd in handen van de "Gecommitteerden tot de finantien" gesteld. Op de brief van de Griffier aan de Gecommitteerden schreef één hunner: "Heeft Huissen schulden ? Zo ja hoe groot is de Som ? Kennelijk omdat op deze vragen antwoord moest worden gevraagd duurde het tot juni voordat Gecommitteerden rapporteerden. Op de brief van de Griffier noteerde Gecommitteerde v. Rechteren: "Te difficulteeren in het verzoek aangezien de Gemeente schulden heeft — nog niet afgedaan zijn" .
    Ged. Staten besloten dienovereenkomstig: "Gezien de Begroting der kosten, in aanmerking dat die kosten, welke volgens het besluit van de Gemeente Raad van den 20 Junij 1822 waren berekend op f. 500,-, volgens de overgelegde Siering f. 797.80 zouden bedragen; In aanmerking genomen, dat de gemeente Huissen nog met aanmerkelijke schulden is bezwaard; Is besloten: In het verzoek van de Gemeente Raad van Huissen te difficulteeren."
    Daarmee waren de Huissense stadhuisplannen van de baan. Het zou 40 jaar duren voordat de raad zich opnieuw met het chapiter "nieuw stadhuis" zou (kunnen) bezighouden.
    Het laatste gedeelte van het stadhuis op de Markt werd tenslotte gesloopt in 1830, blijkens een bevelschrift tot betaling aan J van Binsbergen bij de gemeenterekening van dat jaar: "voor afbraak van het ingestorte gedeelte van het voormalige Raadhuis... "

    Het afgewezen stadhuisplan van 1822/23

    Zó zag het plan tot "het aanleggen en bouwen van een gemeentehuis" er uit, dat timmerman—aannermer Hendrik Weitjens op 18 januari 1823, op verzoek van de gemeenteraad , ontwierp.
    Zijn begroting beliep een bedrag van f. 797,80 hetgeen f. 297,80  méér was dan de bouw volgens de raad zou kosten. Weitjens "Siering van kosten" luidde als volgt: - De matrialen (...) zijn kozijns, glasramen en waterdorpels met werkloon: f 91,60; - Deurkozijnen enz. : f. 121,20; — Vloerenzolders : f. 250,50  - IJzerwerk: f. 10,- ; — Glas en verf: f. 30,- — ; — Metselwerk: f. 294,50; Totaal: f. 797,80.
    In het bestek werd bepaald: "Dit gemeentehuis zal volgens teekening bestaan in een kamer waarin de gemeenteraad vergaderd, voorhuis of gang , bodekamer , gevangenenhok en bergplaats, voor de Brandspuiten en het ook te maken overeenkomstig het dak en frond het huis van "Jan Meyer" .Het zou dus gebouwd worden tegen "het huis van Jan Meyer"  en met een zelfde (simpele) voorgevel.
    Aan de andere zijde woonde, aldus het bestek, zekere Engeraay ("en kozijn in den Zytgevel naast Engenraay aan den zolder", — art.5 . De voorgevel moest "boven de stoep" in nieuw steenen zooals den gevel aan het huis van Meyer" opgetrokken worden, gelijk ook het dak, evenals dat van Meyer, met rode pannen moest worden gedekt. De raadskamer, waarheen ook "de boekekast die in het oude stadhuis staat" moest worden overgebracht, zou een planken vloer krijgen.
    Voorhuis en bodekamer kregen estriken op de vloer, bergplaats en gevangenenhok klinkers. - De door ons ingetekende letters geven aan: A= stoep; B= voorhuis of gang; C= kamer van de gemeenteraad; D= bodekamer; E= bergplaats van het brandweermateriaal; F= gevangenenhok; G= trap en zolderoverkamer; H= het "sekreet , in de volksmond "het huuske" geheten. Aan de achtergevel zgn. bakjes "om de brandhaken en leren op te leggen.stadhuis4

    2. Ten huize Pilgrim in de Langestraat

    Zoals eerder vermeld werd de gemeentelijke administratie enkele jaren na de brand in het stadhuis op de Markt overgebracht naar het woonhuis van burgemeester J.F. Pilgrim.
    Het is het nog bestaande herenhuis Langesr. 35/37, waarin thans woning— en meubelinrichting met woning van de Heer B. Steijntjes is gevestigd. In dit pand, waarvan de voorgevel in latere jaren ten behoeve van winkelvestiging helaas werd verbouwd, bleef het "stadhuis" rond een halve eeuw gevestigd, namelijk tot het voorjaar van 1863.
    Het herenhuis Langestraat 35/37, dat, naast burgemeesterswoning,
    Burgemeester J. F. Pilgrim was op 26 maart 1814 als Koninklijk Pruisisch Burgemeester opgevolgd door zijn zoon Jeremias Jacobus Ernst, die van 1812 tot begin 1814 — aldus zijn eigen biografische gegevens — reeds de Mairie Huissen voor deszelfs vader geadministreert" had en bij de overgang naar de Nederlanden op 1 juni 1816 burgemeester-secretaris was gebleven en op 27 november 1817 door Koning Willem I officieel als schout en secretaris van Huissen was benoemd. In 1850 - hij was toen 63 jaar - werd hij als burgemeester en secretaris opgevolgd door zijn zoon, de 26—jarige Johannes Andreas Theodoor. Deze bleef als vrijgezel inwonen bij zijn vader, die sinds 1818 ook het ambt van notaris bekleedde. Als eigenaar en hoofdbewoner bleef de oud—burgemeester de vergoeding voor verhuur van de "gemeentekamers" ontvangen.
    stadhuis6

    3. Ten huize Bergsma in de Langestraat

    In de raadsvergadering van 28 februari 1863 gaf burgemeester J.A.Th. Pilgrim te kennen, dat "hij hoogstwaarschijnlijk in het laatst der maand Maart of in het begin der maand April van woning denkt te veranderen, weshalve hij in verband daarmede het voorstel doet, om de Gemeente-Secretarie als dan gelijktijdig onder te brengen naar het huis van I.J. Bergsma in de Langestraat Wijk A no. 83 alswelk zich bereid verklaard heeft om voor dezelfde geldelijke tegemoetkooming als de Heer J.J.E. Pilgrim daarvoor tot hiertoe heeft genoten, de ene voorkamer regts voor kantoor en de andere voorkamer links voor het houde der Raadsvergaderingen en voor het voltrekken van Huwelijken aftestaan."
    In de notulen werd aangetekend: "Zulks tot geene deliberatien aanleiding gevende" De aangekondigde verhuizing hield verband met het voorgenomen huwelijk van de toen ruim 38—jarige burgemeester J.A.Th. Pilgrim met de elf jaar jongere, eveneens te Huissen geboren Ida JohannaBergsma, dochter van de "particulier" Petrus Adrianus Bergsma en Huiberdina Dingena Appel.
    Het huweijk had op 15 maart 1863 plaats, waarna het paar zich vestigde ten huize van de bruid, "Langestraat Wijk A no. 83" . Dit pand zou laastelijk — tot het brandbombardement van 13 op 14 mei 1943 - bewoond worden door mej. A. Houtkoper, die was opgegroeid bij Ida Bergsma en haar tweede echtgenoot, Cornelis Leonhard Pilgrim, broer van de overleden burgemeester.
    Het pand werd bij het brandbombardement getroffen en werd na de bevrijding gesloopt. Het stond op de plaats van het huidige dubbele woonhuis Langestraat 18/20, tussen de Hervormde Pastorie en fa. Broekman. De huisvesting van het "stadhuis" in het pand Langestraat "Langestraat Wijk A no 83" zou slechts van korte duur zijn. Op 30 augustus 1865 reeds stierf burgemeester J. A. Th. Pilgrim, drie dagen zijn 41e verjaardag. Met zijn heengaan kwam tevens een einde aan een 80-jarige Pilgrim—burgemeestersperiode.

    4. In „de Kerkstraat op nr. A63"

    Reeds op 14 oktober 1865 werd een opvolger benoemd: Coenraad Vemer, die op 30 oktober door loco-burgemeester W. Goris werd geinstalleerd. Hij vestigde zich in de Kerkstraat "Wijk A no 63" dat eigendom was van het raadslid A.J.L. Baron van Laer van Hoenlo. "Wijk A no 63" was toen waarschijnlijk het huidige pand Kortekerkstraat 2.
    Zekerheid bestaat daaromtrent - wegens gebrek aan exacte gegevens - niet. Ook ten huize van de nieuwe burgemeester werd nu het "stadhuis" gevestigd. Dat blijkt uit de raadsvergadering van 30 april 1857, waarin wethouder Putters mededeelde, "dat met ultimo April het huurcontract der Raadszaal en secretarie tusschen deze Gemeente en den (inmiddels overleden) Heer Verner komt te vervallen" .
    In zijn vergadering van 25 november 1865 werd door de raad kennisgeving aangenomen de mededeling van het Dagelijksch Bestuur, dat , met het oog op art. 131 van het Burgerlijk Wetboek, de Raadzaal en de secretarie zijn overgebragt in een gedeelte van het huis staande in de Kerkstraat A No 63"c. (Art. 131 BW bepaalde o.a.: "Het huwelijk zal in het Openbaar in het huis der gemeente) worden voltrokken")
    In de raadsvergadering van 22 februari 1866 vroeg Verner toestemming tot het aanschaffen van "bureaumeubilair" aangezien ten huize van de Pilgrims als gemeente-eigendom slechts aanwezig waren "eene schrijftafel en twee boekenkasten"
    Totdat het nieuwe stadhuis 'op de Markt kon worden betrokken bleven zaal en secretarie in de Kerkstraat gevestigd, ook nadat burgemeester Verner op 28 februari 1867 was overleden. Eigenaar Baron van Laer van Hoenlo was bereid om "voorloopig op den ouden voet en wel van maand tot maand het bestaande huurcontract" te continueren.

    stadhuis5

    Gezicht vanuit de Langestraat op de Markt toen het stadhuis er reeds was gebouwd. Het 4e (hoogste) huis van links is het pand waarin tussen 1863 en 1865 het "stadhuis" was gevestigd ("ten huize Bergsma").
    Rechts: de "Gelderse gevel". - Schilderij van Kees Berendsen


    5. "Waterstaatsstadhuis" op de Markt

    Het ontbreken van een "echt" stadhuis en het zich moeten behelpen in gehuurde kamers was, zeker voor de jonge vrijgezel—burgemeester, inwonend bij zijn vader de oud—burgemeester, een weinig "magistrale" entourage. Het duurde echter twaalf jaar na zijn ambtsaanvaarding voordat hij een poging waagde om plannen voor de bouw van een stadhuis ter tafel te brengen. Ongetwijfeld kende hij, behalve de minder florissante positie van de gemeentel ijke financiën, ook de zuinigheid van de raadsleden, van wie met name de grootgrondbezitter Baron van Laer van Hoenlo er steeds voor waarschuwde om de gemeente op kosten te jagen.
    In de raadsvergadering van 25 juni 1862 deed burgemeester Pilgrim tenslotte het "voorstel om eene teekening en begrooting te doen maken voor het bouwen van een gemeentehuis" Echter tevergeefs, want het voorstel werd "wegens de onvoltalligheid der vergadering aangehouden tot de volgende vergadering".
    Wat Pilgrims voorstel precies behelsde wordt in de notulen niet uit de doeken gedaan. Wél blijkt, dat er toen, behalve het pand van de kuiper Hent Looman (zie de tekening op pg. 12) , ook nog het "pand van Vrouw Harderwijk" op de Markt stond. Waar het precies stond is niet bekend. De bewoonster en huurster heette Derkje Gerritse Boomhof huisvrouw van P. van Harderwijk en uit de van de raad blijkt, dat men er aanvankel ijk over heeft gedacht om dit huis tot stadhuis te verbouwen. In de vergadering van 30 augustus 1862 stelde burgemeester Pilgrim — zonder dat in de notulen van zijn oorspronkelijke voorstel met name gerept wordt — aan de orde "de bestemming die men denkt te geven aan het huis op de Markt". 

    DE "SCHUP" EN DE STENEN...
    In het houten torentje op het stadhuis bevond zich, behalve een uurwerk, ook een klokje. Wegens het eigenaardige geluid, dat het produceerde, droeg het in de volksmond de naam "de schup"....
    Aan weerszijden van de hoofdingang bevond zich een gedenksteen. Tegen een inscriptie had zich een raadslid verzet zonder dat nu de reden daarvan valt te achterhalen.
    In de raadsnotulen van 19 nov. 1867 vinden we erover aangetekend: Wordt ter tafel gebracht een door den architect Fijnebuik opgemaakt concept opschrift voor de gedenkstenen (...) en wel op den steen links: "De eerste steen gelegd door W.S. Goris fungerend Burgemeester den 8 April 1867" ; en op den steen regts: In ontvangst genornen door C.T. Kolfschoten Burgemeester, W.S. Goris en F.E. Putters Wethouders den 3en December 1867", welke inscriptie met 10 tegen 1 stem, zijnde die van den Heer Boerboom, aldus worden goedgekeurd..."


     "De heer van Laer" — aldus de notulen — " doet daarop het voorstel om, alvorens daaromtrent eene beslissing te nemen, door eene commissie te doen onderzoeken of het tegenwoordige gebouw niet met weinige kosten voor gemeentehuis kon ingerigt worden, zich daartoe zoo noodig van een deskundige te bedienen en den Raad daaromtrent te dienen van berigt en raad. Welk voorstel nadat daarover nog onderscheidene het woord gevoerd hebben, met 9 tegen 2 stemmen, is aangenomen en vervolgens als leden der commissie door den Voorzitter benoemd de Heeren Baron van Laer, Putters en G. Jansen". Het duurde tot de vergadering van 11 februari 1863 voordat de cornmissie verslag uitbracht. Zij adviseerde "om in het financieele belang der gemeente, den bouw van het gemeentehuis vooralsnog onbepaald uit te stellen maar om daarentegen te trachten hetzelve (het huis) voor 3 jaren tegen een verhoogde huur te geven aan de tegenwoordige bewoonster, wijders om het huis uitwendig te doen verwen en eenige uitbreiding en verbetering van het (annexe) brandspuitenhuisje te doen bewerkstelligen" .
    Bœgemeester Pilgrim, die meedeelde, dat de bewoonster "niet ongenegen was om het huis tegen de verhoogde pachtsom in huur te nemen", zei van mening te zijn, "dat de financieele toestand over drie of latere jaren niet voordeeliger zal zijn als nu, daar er toch voor dit geval zoowel nu als later speciale voorzieningen dienen genomen te worden" . De voorgestelde verbetering van het brandspuitenhuisje achtte hij tenslotte maar een halve maatregel. De burgemeester kreeg medestanders in de raadsleden Smit, Goris en Van Gent. Het commissielid Baron van Laer echter verdedigde het voorstel van de commissie. Hij beschouwde de financiële toestand der gemeente niet genoeg om tot de bouw van een gemeentehuis te kunnen besluiten en wilde daarom "de gemeente niet bovenmatig belasten" .
    Hij verklaarde zich echter wel bereid om het voorstel van de commissie in zoverre te wijzigen, dat "wanneer de gemeente een ander geschikt locaal tot bergplaats der brandspuiten kan huren, alsdan van de verbetering en uitbreiding van het brandspuitenhuisje te willen afzien. Met S tegen 4 stemmen werd daarop besloten om tegen de met f. 20. verhoogde huurprijs van f. 160. voor drie jaar het huis weer te verhuren aan " Vrouw Harderwijk". Het huurcontract zou derhalve april 1866 eindigen en intussen kon men zich dus bezighouden met de plannen voor de bouw van een nieuw stadhuis. Op 30 augustus 1865 stierf burgemeester J.A.Th. Pilgrim en op 14 Oktober werd zijn opvolger benoemd, Coenraad Vemer. Echter, nog voordat hij - op 30 oktober — werd geïnstalleerd, nam de raad , onder voorzitterschap van loco—bugemeester W. Goris, een belangrijk besluit...

    stadhuis8stadhuis9

    In de vergadering van 19 oktober stelde Goris aan de orde "de te geven bestemming van het huis op de Markt bewoond door Vrouw Harderwijk" . De notulen vermelden dan: "De Heer Smit stelt aan de vergadering voor om bij het eindigen der huur op primo Mei aanstaande tot geene verdere verhuring over te gaan en inmiddels eene teekening met bestek benevens eene begroting van kosten tot het bouwen van een gemeentehuis door een deskundigen te doen opmaken. De Heer van Laer meent het raadzamer om met het oog op de finantiele toestand der Gemeente, welke welligt door de herziening van het belastingstelsel niet verbetert wordt, alsnog met het daarstellen van een Gemeentehuis een jaar te wachten. Na dupliek wordt het voorstel van de heer Smit in stemming gebragt en met 8 tegen 2 stemmen aangenomen. Ten gevolge van die aanneming wordt het dagelijksch bestuur door den raad gemagtigd om omtrent het opmaken van eene teekening en bestek en eene begrooting van kosten met den Heer Fijnebuik opzigter van de Waterstaat 1e klasse te Arnhem in overleg te treden en onder overlegging van een en ander hiervan aan den raad verslag. te doen, terwijl verder besloten is tot het maken van het bestek de navolgende gegevens vast te stellen:
    Het Gemeentehuis zal bestaan uit:
    a. Een zoogenaamde sousterrain bevattende eene woning voor den bode, 2 gevangenisvertrekken, eene kamer voor de nachtwacht, een bergplaats voor de brandbluschmiddelen , een dito voor materialen van de Gemeente en voor brandstoffen.
    b. Eene zoogenaamde belle étage bevattende eene raad- en eene commissiekamer en suite, eene Kamer voor de secretarie , eene Kamer voor den Burgemeester, eene Kamer voor het archief en wachtkamer , en
    c. Eene gelegenheid tot plaatsing van een uurwerk.
    Na deze machtiging van de raad nam het dagelijks bestuur contact op met de heer S .A.Feynebuik, waarmee Huissen een stadhuis zou krijgen in de zgn. Waterstaatsstijl, waarmee wordt aangeduid de (Neo-klassistische) stijl, waarin in die tijd onder leiding van ingenieurs van de Waterstaat gebouwen van openbaar nut werden opgericht.
    De raad besloot jn zijn vergadering van 22 februari 1866 om de maximum bouwkosten op f. 13.000  te bepalen en bij brief van 15 maart zond Feynebuik zijn ontwerptekening in, waarvan helaas geen exemplaar meer werd aangetroffen.
    Hij verschafte er de volgende toelichting bij: "De plaats waar dit gebouw wordt gesteld opgetrokken te zullen worden; is ten Oosten van het Marktplein, zoo als dit door eene roode kleur op de Situatie-teekening is aangewezen. Tot opheldering van het plan strekke: dat als beganen grond is aangenomen de hoogte van den tegenwoordigen grondslag en dat de halve kelderverdieping zal worden verkregen door den grondslag vóór het gebouw met 0.90 el of iets meer te verhoogen.
    Het plan van den beganen grond en der 1e verdieping is zoo ik yertrouw door de renvooien voldoende opgehelderd . Omtrent het plan van den beganen grond merk ik echter nog op, dat het vertrek No. 1 wordt geacht slaapkamer, No. 2 keuken en No. 3 woonkamer te zijn. De zolder boven het middendeel van het gebouw is bestemd voor berging van materialen van de gemeente, het archief, het plaatsen van een uurwerk enz. De kosten van het gebouw worden door mij globaal geschat Op f. 10.000.--."
    In de vergadering van 24 maart 1866 hield de raad zich met het ontwerp bezig. Met 7 tegen 3 stemmen werd het plan "in het algemeen" goedgekeud, maar nietternin werd de ontwerper verzocht om de volgende wijzigingen aan te brengen:
    1e. het terrein waarop het gebouw moet komen te staan, dient in het algemeen te worden opgehoogd;
    2e. zoo eenigzins mogelijk de buitentrap binnen in te brengen. De daardoor vervallende gevangenissen kunnen gevonden worden door het daartoe bezigen van een der vertrekken van den bewaarder;
    3e. het sousterrain dient eene hoogte te hebben van 2.50 El;
    4e. 0e Raadkamer is te klein; dezelve dient eene lengte te hebben van 8 en eene breedte van 6 ellen; Misschien kan zulks gevonden worden door de vestibule en de kamers regts en links te verkleinen, of wel het gebouw in het algemeen dieper te maken;
    5e. Gaarne had men een toren waarin een uurwerk met slaanden klok;
    6e. het voorfront komt te eenvoudig voor; hetzelve dient te worden verfraaid door het aanbrengen van palmetten en pilasters van een halve steen op de zijden;
    7e. Gaarne zag men de muren van het sousterrain en de lijst boven de belle êtage met hardsteenen platen belegd en de kozijen van hardsteen;
    8e. Bij onmogelijkheid de trap van binnen aan te brengen, moeten stoep en trappen van hardsteen zijn en zag men gaarne op de stoep twee ijzeren pilaren, kunnende dienen tot verlichting en aan de beide Zijden eenen ijzeren leuning;
    9e. wordt in overweging gegeven of er mogelijkheid bestaat de stoep te voorzien van een soort van dak tot het kunnen doen van afkondigingen;
    10e. In de keuken moet eene pomp geplaatst worden.
    Feynebuik wijzigde het plan naar de wensen van de raad, die tenslotte in de vergadering van 21 augustus 1866 zijn zegen gaf aan het definitieve ontwerp.
    Feynebuik stapte reeds naar drukker Van der Wiel in Arnhem om het bestek en de aankondiging der aanbesteding te laten drukken. Maar de burgemeester moest hem er ijlings op wijzen, dat eerst nog de goedkeuring van Ged.Staten op 's Raads plannen noodzakelijk was. Op 20 september 1866 nam de Raad dan formeel het besluit, strekkende "om een Raadhuis daar te stellen tegen de geraamde bouwkosten van f. 12.380.--" en reeds op 25 september volgde de goedkeuring van Ged.Staten
    In de overwegingen tot dat besluit, waarin Gedeputeerde Staten hun fiat hechtten "aan de geraamde kosten van bouw ad f. 12.380.--" werd tevens notitie genomen van het feit, dat al verder zal worden overgegaan tot de afbraak en benuttiging van het te dien einde in der tijd aangekochte huis, gelegen op de groote markt gemerkt A no. 104 ; het huis van "Vrouw Harderwijk" .
    Het dekkingsplan van de gemeente zag er als volgt uit:1e Uit het te gelde maken eener som van f. 8400,-- 3% Nationale werkelijke rentegevende schuld, berekend tegen een waarde van 66% : f. 5.550. — ; 2e een gedeelte van het batig saldo der rekening over 1865 ad f. 1.000.--; 3e. de opbrengst van den verkoop in dit jaar van een gedeelte der Valomsche straat: f. 550. —; 4e. den verkoop van een gedeelte der zoogenaamde Breedestraat, groot ruim 2 bunders, geschat op eene waarde van f. 1.8OO.-- per bunder en zijnde dit jaar verpacht voor eene som van f.140.-- : f.3.600.--; 5e. den verkoop van den zoogenaamden Doelentuin, groot 12 roeden, 10 ellen, geschat op eene waarde van f. 1.000.--, zi jnde verpacht voor f. 38.-- per jaar; 6e. den verkoop van den zoogenaamden Secretarietuin, groot 14 roeden SO ellen, geschat op eene waarde van f. 700.--" , totaal f. 12.400.--.
    Op 11 oktober 1866 had de aanbesteding plaats, waarbij de Huissense aannemers G.J.Weitjens (zoon van de aannemer van "1822/23") en H.W.Jansen als laagste inschrijvers uit de bus kwamen met een bedrag van f. 11.499,--  voor het afbreken van twee gebouwen (het huis van Vrouw Harderwijk en het annexe brandspuitenhuisje) aan de zuidoostzijde van het Marktplein en het inplaats bouwen van een "Raadhuis" .
    stadhuis11stadhuis10


    Tijdens de bouw van het stadhuis trof de gemeente opnieuw een verlies: het plotseling overlijden van burgermeester C. Verner op 28 februari 1867. Het was dan ook de loco—burgemeester, wethouder W. Goris, die op 8 april d.o.v. de eerste steen legde. Enkele dagen later, op 16 april, werd Verners opvolger benoemd: de Arnhemse candidaat-notaris Constantijn Theodoor Kolfschoten.
    Op dinsdag, 3 december 1867 tenslotte kon het nieuwe stadhuis-op-de-Markt plechtig in gebruik worden genomen tijdens een buitengewone zitting van de raad, waarvan toen deel uitmaakten: N.van Gent, H.F.Boerboom, W.Goris, J.H.Smit,H.R.Cremer, Baron van Laer van Hoenlo, C.Meeuwsen, P.van Os, G.Jansen, F.Janssen en F.E.Putters.
    De toespraak, die burgemeester Kolfschoten toen hield, drukken wij hier curiositeitshalve in extenso af.

    Een gemeentegebouw waarop het oude Huissen met regt trotsch zal mogen zijn'

    Toespraak van burgerneester C. T. Kolfschoten in de "buitengewone vergadering van den Raad der Gemeente Huissen bij gelegenheid der inauguratie van het nieuwe Gemeentehuis op Dingsdag den 3. December 1867" .
    "Mijne Heeren Wethouders en Secretaris, leden dezer Gemeenteraad en verdere ingezetenen van Huissen hier tegenwoordig. stadhuis12
    Een aangenamen indruk zal het gewis op ons allen teweeg brengen, wanneer wij bedenken, welke plegtigheid wij geroepen zijn hier thans te volvoeren; aangenaam moet het ons zijn, wanneer wij nagaan, welke de oorzaak dezer plegtigheid was, welke hare gevolgen zullen zijn. Het is nu ongeveer acht maanden geleden dat Huissen getuige was van de eerste plegtige steenlegging tot dit gebouw, hetwelk wij thans inaugureren; tot dit gebouw, waarin voortaan de belangen der gemeente en van hare ingezetenen behandeld en beslist zullen worden.
    De behoefte aan zulk gebouw, aan zulken tempel, waar die belangen aan het oordeel van hen, die door U allen geroepen zijn om ze voor te staan, zouden onderworpen worden, was sints lang gebleken, sints lang gevoeld. Tijds- en andere omstandigheden van finantieelen aard, waren echter oorzaak, dat in die behoefte niet voorzien kon worden. Drukkende tijden, drukkende jaren trokken ook over Huissen heen; jaren van ziekten onder de menschen en onder de voortbrengselen van den landbouw teisterden ook deze gemeente en gedoogden niet, dat door het Bestuur de handen aan het werk werden geslagen tot het daarstellen van een voegzaam gemeentehuis. Langzarnerhand echter begonnen aan den horizont der tijden, wêer heldere dagen te verrijzen. De vreeselijke ziekten begonnen allengskens hun kwaardaardig karakter te verliezen, landbouw en veeteelt bloeiden weer ongestoord, terwijl de vijf onder deze gemeente opgerigtte steenfabrieken voor menigen ingezetene dezer gemeente de gelegenheid daarstelden, om zich op eerlijke wijze een goed bestaan voor zich en de zijnen te verschaffen en bovendien bij spaarzaamheid en vlijt iets voor den naderenden winter over te leggen. Deze gunstige wending der zaken was dan ook de oorzaak, dat het Bestuur dezer Gerneente ten vorigen jare zich in de gelegenheid gesteld zag, den bouw van dit raadhuis te ontwerpen en aan ongetwijfeld aller wensch te voldoen om aan het oude Huissen een gemeentegebouw te verschaffen, dat het ten sieraad zal verstrekken en waarop het met regt trotsch zal mogen zijn.
    Ook de gevolgen, die het bestaan van dit gebouw na zich zal slepen, zullen voorzeker voor deze gemeente zegenrijk zijn. Hoe meer toch eene plaats in bloei toeneemt, hoe fraaijer en sierlijker ze zich uitwendig vertoont, zooveeI te meer zal ze hare aandacht tot zich trekken, vreemden aanlokken zich hier te vestigen, daardoor het verkeer en de beschaving in die plaats doen toenemen en hare welvaart bevorderen. Hiervan immers kunnen de laatste jaren voldoende getuigen zijn. Huissen mag er trotsch op zijn, boven en behalve dit raadhuis in den laatsten tijd in zijnen schoot gebouwen en instellingen te hebben zien verrijzen, die den bloei en vooruitgang dezer Gemeente op onmiskenbare wijze bevorderden en aanwakkerden.
    Ik heb U , Mijne Heeren, hier slechts te wijzen op het kloostergebouw der Paters Dominicanen, waar niet slechts zoo menige behoeftige onder onze medeburgers troost en ondersteuning vindt maar waardoor ook het verkeer naar deze plaats heeft toegeromen; ik heb U nog slechts te wijzen, — om van de andere nuttige instellingen niet te spreken — op de kostschool van den Heer Wansink, aan wiens kundige leiding ouders van heinde en verre hunne kinderen toevertrouwen om ze tot nuttige leden der maatschappij te vormen, aan welke instelling voorzooveel verschuldigd is, door de behoefte, die zij met zich sleept en aan menigen onzer medeburgers het dagelijksch brood verschaft, terwijl zij bovendien menigen vreemdeling herwaarts trekt.
    Ook voor ons, Mijne Heeren Wethouders, Secretaris en leden van den Gemeenteraad, zal dit nieuwe gebouw voorzeker niet zonder gevolg wezen. Ge hebt voorzeker, evenals ik, toen ge zoo even voor het eerst den drempel van dit nieuw gebouw betraadt, nogmaals U den eed in het geheugen geroepen, dien gij bij de aanvaarding Uwer betrekking aflegdet, dat gij de belangen dezer Gemeente met al uw vermogen zult voorstaan en bevorderen; gij hebt U , toen gij voor het eerst deze raadzaal binnentraadt en het beeld van onzen beminden vorst aanschouwdet voorzeker met mij den afgelegden eed van trouw aan de Grondwet en aan de wetten des Rijks wederom te binnen gebragt en ophieuw het voornemen gevormd om met verjongden ijver en kracht en gesteund door de goede gezindheid, de welwillendheid en het vertrouwen der burgerij, met vereende krachten Huissens belangen en die zijner ingezetenen te blijven bevorderen. Laten wij aan die pligten hier opnieuw trouw zweren, laten wij de eensgezindheid, eerlijkheid en trouw, in één woord alle christen- en burgerpligten onder onze medeburgers helpen aankweeken, laten wij hen door ons voorbeeld aanzetten om het goede te doen,het kwade te laten en laat ons voornamelijk de beschaving voorstaan. Wij mogen ons verheugen binnen deze muren scholen voor lager onderwijs te bezitten, waar door ijverige en geschikte personen grondig onderrigt gegeven wordt, waar door behoeftige kinderen dezer gemeente gratis onderwijs kan bekomen worden, doch, helaas!, hoevele kinderen zien wij langs de straten slenteren en hunne jeugd nutteloos laten voorbijgaan. Laat ons de ouders van zulke kinderen door woorden en gepaste middelen aansporen om hunne kinderen vlijtig ter school te zenden, laten wij hen wijzen op het groot voordeel dat in kunde en beschaving gelegen is, laten wij hen opbeuren uit dien slaap van onverschilligheid en achteloosheid, opdat zij er zich eindelijk op mogen toeleggen om de kinderen, waarvoor zij verantwoordelijk zijn, tot werkzame en nuttige leden van de maatschappij, tot heil van hen zelven, tot nut van vorst en vaderland op te voeden.
    Zoo doende Mijne Heeren kan het niet anders Of onder Gods besten zegen, zal het Huissen welgaan en zal Huissen wederom eenmaal een straal van dien ouden luister deelachtig worden, waarmede het in de oude geschiedrollen dezer streken staat aangeteekend.
    Ten slotte een woord van warmen dank aan U , Mijne Heeren leden der bouwcommissie van dit Raadhuis. Gij hebt U veel laten gelegen liggen, moeite noch zorg gespaard om dit gebouw op soliede, hechte en voordeelige wijze voltooid te krijgen. Ontvangt daarvoor onzen dank. Weest lange jaren met de uwen nog getuigen van het werk, dat ge onder uw toezigt tot heil dezer gerneente hebt helpen tot stand brengen. Hulde en dank zij ook den Heeren ontwerper en aannemers van dit gebouw. Dat ook zij nog lange jaren met welgevallen op hunnen voltooiden arbeid mogen nederzien en dat het werk zijne meesters nog in hunnen grijzen ouderdom moge kroonen.
    lk eindig deze toespraak Mijne Heeren, met den luiden wensch, dat deze opening van dit gebouw lange jaren onder het heilrijk bestuur van het geëerbiedigde Hoofd van Onzen staat, onzen beminden Koning Willem de Derde, rijke vruchten van zegen en voorspoed, van bloei en welvaart voor deze gemeente en ons allen moge opleveren.
    Heil onzen Koning ! Heil de gemeente Huissen !
    stadhuis13

    6. „De Altena": stadhuis buiten de stad

    Na burgemeester C.Th. Kolfschoten zag het "Waterstaats—stadhuis op de Markt de volgende burgemeesters verschijnen: P.J. Masion (1876 - 1886) , mr. A.E.J. Baron van Voorst tot Voorst (1887 - 1893), W.M.Helmich (1893 - 1934) en mr. C.M.J. Dany (vanaf 1 juni 1934).
    Enkele jaren nadat laatstgenoemde zijn ambt had aanvaard constateerde hij, dat het toen 70 jaar oude gebouw te klein was geworden voor het zich uitbreidende ambtenarenkorps. Bovendien echter bleek het scheuren te gaan vertonen e.d.,in elk geval niet meer geschikt te zijn voor restauratie uitbreiding.
    Besloten werd naar een andere huisvesting om te zien, het oude stadhuis te slopen en op de Markt een ander openbaar gebouw — een brandweerremise - te stichten. Het oog viel op de villa "De Altena" met bijbehorende grond aan de Steenstraat (thans Helmichstraat), die de inmiddels overleden burgemeester W.M. Helmich voor zijn grote gezin had laten bouwen.
    Met de familie Helmich werd overeenstemming bereikt over een aankoopsom van f. 20.000.- De gemeenteraad besloot daarop op 13 mei 1938 tot aankoop over te gaan en "het huis na geringe verbouwing, in te richten tot gemeentehuis, waarin tevens een centrale verwarming zal worden aangelegd, terwijl het oude gemeentehuis zal worden afgebroken en de afbraak, alsmede de overblijvende (in 1866/67 opgehoogde) grond , na verruiming van het Marktterrein zal worden verkocht".
    De totale kosten van het project beliepen: aankoopsom f. 20.000.- , transportkosten f. 606.- ,verbouwingskosten f. 1.500 — , totaal f. 22.106.- .
    Dit bedrag moest worden verminderd met: opbrengst van de afbraak van het oude gemeentehuis f. 606.-, nader geschatte waarde van de overblijvende grond gelegen nabij hef oude gemeentehuis na verruiming van het Marktterrein : f. 2.500.-, totaal f. 3.106.-, zodat netto resteerde f. 19.000.—. Daarbij kwam nog eens een bedrag van f. 1.900.- wegens kosten aanleg centrale verwarming. Voor beide bedragen werden geldleningen aangegaan. De eerste ( f. 19.000.-) had een looptijd van veertig jaren; d.w.z. tot 1978!
    De verhuizing naar "De Altena" betekende, dat voor het eerst in Huissens geschiedenis een stadhuis buiten de wallen van het oude stadje werd gevestigd; een door vele burgers betreurd besluit.
    stadhuis15Op 30 september 1938 had de plechtige opening van het nieuwe stadhuis plaats door de Commissaris der Koningin in de Provincie Gelderland,mr.  S. Baron van Heemstra.
    Bijna veertig jaar later zou het worden gesloopt en zou het gemeentebestuur "binnen de wallen" terugkeren, zij het niet op de historische plaats, de Markt.
    "De Altena" bleef in de eerste vier oorlogsjaren ongestoord als stadhuis fungeren en — in de eerste oorlogsjaren - tevens als centrale waarnemingspost voor de Luchtbeschermingsdienst. Voor de huisvesting van de Distributiedienst bood het geen plaats, zodat deze achter het stadhuis in een voormal ig schuurtje werd ondergebracht, waar zich ook het gevangenhok bevond. Op dinsdag, 5 september 1944 (Dolle Dinsdag") werd het stadhuis door de Duitsers gevorderd om te worden ingericht als lazaret van de "Gesundheidsdienst" van de te Huissen gelegerde eenheid "Feldpostnr. 19.992" van de "Reichsarbeitsdienst", ingediend bij de luchtafweerdienst. De volgende dag was de inrichting van het lazaret voltooid: de burgemeesterskamer als zitkamer voor de verplegers, de secretariskamer als bureau van de stafarts, die de kamer van de afd. bevolking als zijn zitkamer gebruikte. De kamer van de hoofdcommies en commies werd "Krankenstube!" en in het ontvangerskantoor vestigde de "Unterfeldmeister" zijn bureau. De commissiekamer werd operatiekamer en de raadszaal tot " Krankenstube II" bestemd. Het verplegend personeel richtte slaapkamers in op de kamer, waar het materiaal en het financieel archief waren ondergebracht. De gemeentesecretarie werd ingericht in het gevangenlokaal in het gebouwtje van de distributiedienst, terwijl voor de waarnemend burgemeester een spreekkamerruimte werd gevonden in het leegstaande bijkantoor van De Gelderlander in het pand van Hotel De Gouden Engel tegenover het Stadhuis. In de nacht van 17 op I8 september 1944 werd het lazaret ijlings weer ontruimd, waardoor "de Altena" - op 20 september — opnieuw voor de gemeentelijke diensten kon worden ingericht. Op 2 oktober liep "De Altena" 's morgens tijdens zwaar artillerievuur lichte schade op. Bij het zware bombardernent 's middags viel er een bom juist naast de aan de noordzijde van het gebouw gelegen secretaris- en bodekamer, waardoor dit gedeelte van het stadhuis werd ontwricht. In het park achter het stadhuis viel een drietal bommen. Vanaf die dag werd "De Altena" niet meer als stadhuis gebruikt. De afdelingen burgerlijke stand en evacuatie werden toen ondergebracht in het als centraal noodhospitaal ingerichte Dominicanenklooster tot aan de algehele evacuatie van de gemeente op 23 oktober 1944. In dit klooster vond het gemeentelijk bestuursapparaat in de eerste maanden na de bevrijding, na de terugkeer van de burgers uit de evacuatie, eveneens onderdak, totdat het gehavende stadhuis "De Altena" weer in gebruik kon worden genomen. stadhuis14
    Nog ruim dertig jaar zou de voormalige — intussen uitgebreide en intern verbouwde - burgemeestersvilla dienst doen als stadhuis; jaren van wederopbouw, jaren ook van soms hoog oplaaiende lokaal-politieke emoties, tijdens welke het zelfs eenmaal aan "bestorming" bloot stond.
    Na mr.C.M.J.Dony (tot 1 febr. 1947) "zag" De Altena als burgemeesters:F.Th.C.M.Terwindt (1947—1966), drs. A.Stadhouders (1967—1972) en H.J.J.Aalders (1972—1978). In de "burgemeesterloze tijdvakken" traden waarnerners op (W.van Elk en H.M.Oldenhof) . Onder burgemeester Aalders werd tenslotte het besluit genomen te verhuizen naar het huidige gebouwencomplex. Enkele dagen na de verhuizing was stadhuis/villa "De Altena" van de aardbodem verdwenen.

     

  • Kortekerkstraat en toren: Geheel verdwenen, Uit Mededelingen jaargang 4, nr. 3 (1978/79) Open or Close

    Kortekerkstraat en toren: Geheel verdwenen
    Uit Mededelingen jaargang 4,  nr. 3 (1978/79)

    Reeds eerder hebben wij (o.a. in Mededelingen, 3e jrg.nr.4,pg. 168) foto's gepubliceerd van de vooroorlogse situatie van de Kortekerkstraat. Door het bombardement van 2 okt. 1944 en de na de bevrijding gevolgde sloop, is de oorspronkelijke noordelijke gevelwand van het straatje, dat aan de kerkzijde met een hek was afgesloten, totaal verdwenen. De gebouwen op de foto, inclusief de toren, zijn alle verloren gegaan. Slechts het pand van de fa. Stam (strookje uiterst links) is behouden gebleven. De naoorlogse bebouwing aan deze — op de foto voorkomende - zijde heeft 't karakter van dit straatje totaal veranderd.
    De foto, die we thans publiceren, is vermoedelijk de laatste, welke het straatje in zijn oorspronkelijke toestand weergeeft. Zij dateert uit 1941 of 1942, mogelijk zelfs nog uit 1943. Zij werd gemaakt vanuit de Langestraat. Het blonde meisje is Trudy Scheepers (thans mevr. T. van Dillen-Scheepers in Huizen NH) , dochter van het echtpaar J.Th.A. Scheepers-Nass, dat het (nieuwe) huis hoek Langestraat - Kortekerkstraat (op de foto slechts een strook uiterst rechts zichtbaar) bewoonde. Achter haar even nog zichtbaar een dochtertje (Cilia?) van de fam. Bos, die in de Kortekerkstraat het historische pand nr. 2 ,dat de oorlog overleefde, bewoonde.

    kortekerkstraatkl

  • Halve eeuw geleden: molensloop Uit Mededelingen jaargang 4, nr. 4/5 (1978/79) Open or Close


    Halve eeuw geleden: molensloop
    Uit Mededelingen jaargang 4,  nr. 3 (1978/79)

    Een halve eeuw geleden voltrok zich te Huissen het drama, waarover ieder rechtgeaarde Huissenaar zich nog steeds kan opwinden: de sloop van de torenmolen in de Stadsmolendel , aan de overzijde van de Stadsdam, tegenover het Dominicanenklooster. (Voor geschiedenis en uitvoerige beschrijving zie: G.W.C. van Wezel , De cilindrisch gemetselde molen te Huissen, in Bijdragen en Mededelingen van Gelre,dl.LXVIII, 1975). Allerlei pogingen van de laatste molenaar, de onlangs overleden heer Th.J. Heijckmann, om het monumentale bouwwerk te behouden - ook bij de gemeente — hadden niets uitgehaald, zodat een slopersbedrijf uit Apeldoorn op 6 januari 1929 met de sloop een aanvang maakte.
    De Gelderlander publiceerde op woensdag, 9 januari, een laatste foto, met het onderschrijft: "De oude Kruitmolen te Huissen, die elk jaar 'n belangrijke rol speelt in de folkloristische feesten van 't schuttersgilde van genoemd oud stadje is thans definitief gedoemd te verdwijnen". En op 12 januari verscheen onder het kopje " Onze oude molens " het laatste bericht: "Men schrijft ons uit Huissen: Maandag (6 jan.) is men begonnen met het slopen van den ouden kruitmolen alhier. Donderdag was de belangstelling der burgerij al bijzonder groot nu het gold de verwijdering van de ijzeren wieken, welke met een donderend geraas naar beneden stortten. Naar men ons mededeelde zai voor het slopen nog van explosie materiaal gebruik moetem worden gemaakt, daar het muurwerk op plaatsen ruim 2 meter dik is."
    Behalve de naam "Molendel" herinnert nog slechts de zich in de gildenkapel bevindende altaarsteen, welke uit één der molenstenen is gehouwen, aan wat eens één van Huissens trotse bouwsels was en dat zonder veel eerbied voor het verleden het lot ten deel viel, dat daarvóór tal van andere historische bouwwerken (burcht, stadspoorten en -muren, convent e.d.) beschoren was geweest.

    molenklmolensteenkl

  • Inkomensverhoudingen in Huissen anno 1807 Uit Mededelingen jaargang 4, nr. 3 (1978/79) Open or Close

    Inkomensverhoudingen in Huissen anno 1807
    Uit Mededelingen jaargang 4,  nr. 3 (1978/79)

    Talrijke malen wordt in de 19e eeuw geklaagd over de bittere armoede van vele Huissenaren. Een scherp inzicht in de inkomensverhoudingen in Huissen ontbrak tot nu toe geheel.
    Een wellicht niet geheel zuiver, maar toch opmerkelijk beeld van de toestand is te verkrijgen uit een tweetal "Individuelle Aufnahmen der jährlichen Einkommen der Familien und einzelnen für Sich bestehenden Personen" uit 1807 (1).
    In deze overzichten is de bevolking — uiteraard ten behoeve van de belastingen — verdeeld in 13 categorieën . Bij het nu volgende moet men er rekening mee houden, dat de opnemers voor de ambten Huissen en Malburgen de cijfers hoog hebben gehouden ten einde het vereiste belastingbedrag te krijgen.
    Ook als men met dat gegeven rekening houdt, is het grootste aantal armen in de stad Huissen gezocht moest worden. Daar leefde 30.4% van de gezinnen onder de grens van 100 rijksdaalders per jaar, wat ongeveer het bestaansminimum was. In het ambt was maar 13% zo arm, terwijl in Malburgen slechts één van de 22 gezinnen (4.5%) onder dit niveau leefde.
    Net boven het bestaansminimurn (100 - 200 rijksdaalders) verdienden 89 van de 421 gezinnen. de armoede in de overgangstijd sedert 1795 was gestegen, blijkt wel uit het feit, dat bij een telling in 1764 "slechts" 20% armen in de stad woonden (2).
    Aan de andere kant van de ladder vinden we de rijken, die een redelijke tot grote welvaart hadden. De burgemeester, Johann Friedrich Pilgrim, verdiende tussen 500 en 800 rijksdaalder, waardoor hij zijn stand behoorlijk kon ophouden. Zijn categorie en die erboven, totaal 54 gezinnen (12.8%), kunnen we als de rijkeren beschouwen. Daarbij moet wel worden opgemerkt, dat de telling geestelijken buiten beschouwing laat, waardoor bijvoorbeeld de rijkste instelling in de stad, het St. Elisabethconvent, niet is meegerekend, evenmin als de pastoor, de kapelaan en de predikant, in 1764 allen tot de welvarendste Huissenaren behorend.
    In de opname van 1807 springt één zeer rijk man in het oog. Het zal niemand verbazen, dat de edelman Carel van Laer tot de Poll als enige Huissenaar meer dan 5.000 rijksdaalder per jaar verdiende. Goede tweede is de Malburger Willem Roeloffzen, die een jaar later het beheer over de domeinen kreeg, maar die als "Halbbauer, Schneider und Käsemacher" toch al in 1807 tussen 4.000 en 5.000 rijksdaalder verdiende.
    In de stad was de rijkste een vrouw, namelijk Elisabeth Royaards-van Erpers, de weduwe (sinds 1805) van ambtsraad Gijsbertus Royaards. Opvallend is, dat stadssecretaris Bequignol haar als beroep "Amts Räthin" meegeeft, een niet bestaande functie. In dezelfde categorie viel overigens ook de domeinpachter op de Pley, Frederik Nass. Al is het vorenstaande slechts een flauwe weergave van de verhoudingen in het Huissen van vlak voor de - eerste — overgang naar Nederland, het kan mogelijk een aanzet vormen tot een nadere bestudering van de sociale toestanden in het 19e eeuwse Huissen.

    DR E. SMIT

    Noten
    1) Hauptstaatsarchiv Düsseldorf - Grossherzogtum Berg 2630 en 2690.
    2) Hauptstaatsarchiv Düsseldorf - Kleve Rammer 3750.

    inkomstenkl

  • De Wildeman: Historisch of folkloristisch figuur? Uit Mededelingen jaargang 4, nr. 6 (1978/79) Open or Close


    De Wildeman: Historisch of folkloristisch figuur?

    Bij het beeldje op het het Postkantoorpleintje

    Uit Mededelingen jaargang 4,  nr. 6 (1978/79)

    Over verfraaiing van het straatbeeld door de plaatsing van beelden, beeldjes, mozaiëken en plaquettes heeft Huissen (gelukkig) geen klagen. Behalve religieuze (Christus Koning, Maria van Banneux, St.Joseph, St. Elisabeth) staan er hier en daar ook verschillende profane beelden in steen of brons.
    In voorbereiding is voorts een beeld van de poortwachter en op de dag, waarop beleg en ontzet worden herdacht, onthulde de burgemeester op het pleintje voor het Postkantoor een bronzen beeld van de "wildeman", de bekende figuur uit dat ludieke herden, een en ander dank zij een royale geste van het P.C.I.
    Minder ludiek was, dat daarbij - zonder protest van milieubeschermers of andere actiegroepen - een fraai boompje ten behoeve daarvan het loodje moest leggen.
    De Historische Kring kan er alleen maar verheugd over zijn, dat figuren uit Huissens historie en folklore in steen of brons worden vereeuwigd, die historie en folklore levendig houdend en tevens aan de verfraaiing van het stads(erf)beeld bijdragend.
    De Kring hoopt ook zelf daaraaen - men leze daarover elders in dit nummer - een bijdrage te mogen leveren. Er zijn overigens nog verschillende historische en folkloristische figuren, die waard zouden zijn aldus te worden vereeuwigd.
    We denken b.v. aan: de stadsomroeper, de nachtwaker/klepperman, de man-met-de-ben uit de Umdracht, de vrouw aan de stadspomp, de visvanger met zijn grote net tijdens het beleg en ontzet,de schutter aan de schietboom, de bieleman, een tuindersechtpaar in de oude klederdracht etc.
    De keuze voor het beeld is tenslotte gevallen op de WILDEMAN, nadat aanvankelijk een gildekoning in brons zou worden gegoten. De betrokken kunstenaar kon met zijn ontwerp daarvoor echter geen genade vinden in de ogen van de opdrachtgevers aangezien het "beeld" van de koning niet overeenstemde met dat van Huissense gildekoning.
    Een artistieke beoordeling van het beeld laten we - als niet terzake deskundig - gaarne aan anderen over. We veroorloven ons slechts de opmerking, dat de door de gemeente geplaatste en gefinancierde sokkel nogal pover is uitgevallen, gezien het daarvoor beschikbare bedrag.
    Een handvormsteen ware fraaier en een kloostermop zelfs "toepasselijker" geweest, gelet op de ruige wildeman—figuur, afgezien van het feit, dat de huidige creatie identificatie met de wildeman, zoals hij jaarlijks wordt uitgebeeld, vrij moeilijk maakt. Men denkt onwillekeurig eerder aan een poelier in brons of een kippendief.
    Herkenbaarheid en artistieke vrijheid hadden in deze ongetwijfeld best samen kunnen gaan. De wildeman spreekt in Huissen sterk tot de verbeelding, vertrouwd als men is met zijn jaarlijkse verschijning, wanneer hij schrik en beven verspreidt onder de jeugd. Aan zijn figuur is reeds eerder aandacht besteed (l).
    Het meest bekend is de "wildeman" uit de heraldiek. Dan fungeert hij meestal als schildhouder (ténant) . Zijn lendenen zijn dan met groen omgord — een symbool van de natuurkracht - , hij heeft een sterke, ruige haardos en grote tanden, terwijl hij met een knots is gewapend. Men vindt hem ook wel geplaatst voor gebouwen als afwerend zinnebeeld.
    De wildeman wordt dan gezien als de wilde jager, een personificatie van Wodan. In het kader van het herdenkingsspel, het Huissense "vuurvechten", waarin historie en folklore zo nauw met elkaar zijn verbonden én zodanig dooreengeweven, dat het niet gemakkelijk valt om van alle gebruiken en tradities de juiste oorsprong te achterhalen, is de wildeman op zijn allervreemdst en ruig, wild uitgedost.
    Het liefst heeft hij een groot mes tussen zijn tanden. Men vereenzelvigt hem wel met de Moor, de bediende, die Karel van Gelre in 1502 hielp ontvluchten, maar óók wel met een Gelders spion. Onzes inziens moet hij louter als een folkloristisch figuur gezien worden, die met de historie van het beleg en ontzet niets te doen heeft, afkomstig als hij vermoedelijk is uit een ouder (heidens midzomer- later St.Jans-)feest.
    Als hij inderdaad de Moorse bediende zou moeten voorstellen, dan is zijn rol daarmee toch wel in sterke tegenspraak. Op de eerste plaats zou hij ook als Moor uitgedost moeten zijn. Dat is niet het geval en voorzover uit vroegere afbeeldingen is te is na te gaan, is dat ook nimmer het geval geweest.
    Op de tweede plaats zou van de "Moor" verwacht mogen worden, dat hij zich bij voortduring aan de zijde van de "Geldersen" zou bevinden. Dat doet hij niet en dat schrijft de traditie ook niet voor. Hij verkeert bij voorkeur in de stad, terwijl toch mag worden aangenomen, dat Karels zwarte dienaar nooit in de stad is geweest.
    Op de derde plaats wijst zijn gevangenneming er op, dat hier per se niet de Moor kan zijn bedoeld. Deze wist namelijk integendeel zijn meester én zichzelf aan gevangenneming te ontkomen.
    Ook met een Gelders spion kan hij moeiiijk worden vereenzelvigd. Daarvoor is hij te opzichtig uitgemonsterd en beweegt hij zich té opvallend binnen de stad.
    De oorspronkelijke betekenis en functie van de wildeman vallen in het kader van het feest niet duidelijk te herkennen. Eerder heeft de eerstondergetekende ("Sint Jan - Sint Jansdag en de Huissense gilden" in Huissens Gilden Kroniek, 2e jrg., nr.3,pg.6-10) als zijn veronderstelling uitgesproken, dat men in het nu niet meer of slechts symbolisch uitgevoerde gebruik om de wildeman onder te dompelen (bekend als "klein Evertje verzuupen"), het onderdomnpelingsritueel moet zien, oorspronkelijk een heidens ritueel, doch later gekerstend en passend in het christelijke Sint Jansfeest, waar het herinnert aan doop in de Jordaan (2).
    Het is slechts een veronderstelling, die overigens niet rijmt met de verklarirg voor de betekenis van het "klein Evertje verzuupen", die we citeerden in Mededelingen, 3e jrg.,nr. 5.
    H.W.J.O./J.H.F.Z.

    (1) H.W.J.Derksen, Figuren rond het spiegelgevecht: Wiideman en Bieleman in Huissense Gilden Kroniek,2e jrg.nr. 11/12, pg. 1-4.
    (2) Over de Sint Jansviering te Huissen zie men:
    D.J. Van Ven, Het Vendelzwaaien herleeft, Baarn, 1936.
    H.W.J.Derksen, "St. Jan-in-de-zomer (24 juni), een der oudste volksheiligen in ons land", De Gelderlander, 23 juni 1964, pg. 3. id. "Historisch spiegelgevecht in de vlammen van het St. Jansvuur", in De Gelderlander, 24 juni 1954, pg. 2. id, St.Jan — midzomerfeest - in Huissen en Laren, in Huissense Gilden Kroniek, 2e jrg., nr. 11/12, pg. 5—7.

    wildeman

  • Enige oudheidkundige aspecten van de Malburgse Polder Uit Mededelingen, jaargang 4, nr. 6 (1978/1979) Open or Close

    Enige oudheidkundige aspecten van de Malburgse Polder
    Uit Mededelingen, jaargang 4, nr. 6 (1978/1979)

    Door : RUUD BORMAN
    Het verleden van de Malburgse Polder (tot voor kort grotendeels Huissens territoriurn) is eigenlijk pas sinds kort, letterlijk en figuurlijk aan de oppervlakte gekomen. Nog niet zo lang geleden was er over dit gebied nog maar bitter weinig bekend en de archeologische vondsten waren op de vingers van één hand te tellen. De heer Th.H. Janssen, voorzitter van de Historische Kring Huessen, was eigenlijk de eerste, die zich serieus met het verre verleden van de polder ging bezighouden en van hem ook heb ik, mede voor dit artikel , veel verzamelde gegevens ontvangen.
    Een aantal recente vondsten heeft er toe geleid, dat het gebied wat meer in de belangstelling van de oudheidkundigen kwam. In dit artikel zal ik me beperken tot de periode, die vooral in archeologisch opzicht van belang is, te weten de pre- en protohistorie en de late middeleeuwen.
    In de eerste plaats dan nu een beknopte verkenning in het omringende gebied teneinde het geheel in een duidelijke context te plaatsen. Met de prehistorie zijn we snel kiaar. Vondsten uit de Oude— en Middeneesteentijd zijn vooral op de hogere gedeelten der stuwwallen aangetroffen (Wageningen, Renkum, Posbank). Nederzettingen en begraafplaatsen uit de Nieuwe Steentijd moeten we zoeken langs de Renkumse Beek, op de Ginkelse heide en bij Schaarsbergen, een aantal losse vondsten ook in de directe omgeving van Arnhem. Opvallend op de verspreidingskaart is , dat zich vanaf Doorwerth een lange gordel van grafheuvels over de hogere delen in noordoostelijke richting tot Schaarsbergen uitstrekt en daar plotseling abrupt wordt onderbroken. Ze komen verder naar het oosten niet meer voor. In de Bronstijd is de bewoning ten noorden van de Rijn ook al in iets lagere gedeelten (Ruysdaelstraat met huisplattegronden) geconstateerd terwijl er dan eveneens sprake is van nederzettingen in de Betuwe (Hien, Dodewaard). In de IJzertijd vestigt men zich op vele plaatsen, die tot dan toe onbewoond waren gebleven (voorzover bekend op dit moment) : Arnhemse binnenstad, Driel, Elst, Huissen en Bemmel.
    In de Romeinse tijd, waarmee we in de Protohistorie zijn gekomen (Romeinse tijd en Vroege Middeleeuwen), is zelfs op vele plaatsen van een intensieve bewoning te spreken. Op de stroomruggen bezuiden de Malburgse winterdijk worden talloze inheems-Romeinse nederzettingen aangetroffen en in enkele gevallen ook puur Romeinse bewoning (Elst). Uit de periode der volksverhuizingen is weinig bekend; zowel bodemvondsten als schriftelijke berichten ontbreken vrijwel of geheel. Daarin komt verandering in de Merovingische periode. Grafveldjes met bijgiften zijn van meerdere piaatsen bekend (Doorwerth, Huissen, Lent) . In Huissen deed de heer Janssen een aantal interessante vondsten in een Frankisch-Merovingisch grafveld uit het einde van de 7e eeuw.
    Ook zijn er in deze periode weer wat schriftelijke gegevens, O.a. over de kerstening en het stichten van kerkjes. In de Karolingische periode (ca. 750-900) komen we veel namen tegen van nederzettingen, die ook nu nog bestaan. Veelal bevinden zij zich op plaatsen, waar ook in de Romeinse tijd al werd gewoond. Daarmee zijn we terechtgekomen Bij de MALBURGSE POLDER , want de oudste vermeldingen met betrekking tot deze polder dateren uit de 9e eeuw.
    Of er eerder echte bewoning in dit gebied is geweest valt moeil ijk te zeggen. In de buurtschap Malburgen zijn wel enige Romeinse zaken aan het licht gekomen, maar hierbij handelt het om zogenaamde losse vondsten, die zonder verdere samenhang zijn aangetroffen. Het betreft hier een bronzen steelpan, die uit de Rijn werd opgevist, en een inscriptiesteen, gewijd aan Hercules Magusanus, de voornaamste god der Bataven, en aan Haeva (waarschijnlijk Hebe als de echtgenote van Hercules) .De steen werd vervaardigd in opdracht van Ulpius Lupio en Ulpio Ammava (burgers van Nijmegen?) . Helaas is de steen spoorloos verdwenen en er is alleen een afschrift van bewaard gebleven. (Lit. : Nederland in den Romeinschen tijd - Dr. A.W. Byvanck).
    Bij het Malburgse Veer is voorts een ijzeren lanspunt met sporen van zilverinlegwerk gevonden. Deze berust in een particuliere collectie, die sinds lang in bruikleen aan het Gemeentemuseum Arnhem is gegeven (inv.nr. BH 145). Ouderdom: Romeins of Frankisch. Helemaal aan de andere kant van de polder . bij Meinerswijk, is eveneens een ijzeren speerpunt opgegraven, mogelijk Romeins (Gem. Museum Arnhem). Met de laatste vondsten zijn we bij een eigenaardig terreintje aangeland. Het bestaat uit een soort schiereilandje, in een kleiwinning ontstane plas, dat even ten oosten van de steenfabriek "De Galantijnse Waard" is gelegen.
    De heer Paes, de vroegere directeur van deze steenfabriek, had al eens gewezen op het voorkomen van middeleeuws schervenmateriaal op dit terreintje. Even ten oosten ervan waren in het begin van deze eeuw al wat interessante vondsten gedaan (Gelre B&M, deel V, Beschrijving van eenige onder Elden gevonden Oudheden - Dr. W. Pleyte) te weten een loden beeldje (Romeins?), mogelijk voorstellend een jonge Bacchus, een gesmede bronzen lamphaak (Romeins ? ), twee kogelpotten en een kruik en kookpot van blauwgrijs aardewerk.
    Pleyte veronderstelt in zijn artikel, dat het aardewerk mogelijk in de pottenbakkerij aan de Duno is vervaardigd (Collectie Gemeentemuseum Arnhem). Er waren dus enige aanwijzingen, dat op genoemd terreintje meer verwacht mocht worden. Tijdens verschillende proefonderzoekjes gedurende de afgelopen jaren kwam inderaad een partij aardewerk- en steengoedfragmenten aan het licht (blauwgrijs aardewerk, gladwandig en ruwwandig steengoed, volksaardewerk en meer incidenteel Pingsdorfaardewerk en kogelpotten).
    Al gauw viel op, dat de vondsten zich zeer dicht aan de oppervlakte bevonden in een laag, waarvan de onderkant uit de 13e, welltcht zelfs uit de 11e eeuw, dateerde. De meest recente laag moet bij kleiwinning verloren zijn gegaan. Opvallend was voorts, dat vrijwel direct onder de genoemde laag Romeins materiaal werd blootgelegd, waaruit geconcludeerd mag worden, dat de laag van de tussenliggende eeuwe wellicht door een dijkdoorbraak of overstroming is weggeslagen. Uitgerekend deze laag was van belang om de oudste schriftelijke vermeldingen over Meinerswijk (uit de jaren 814 en 847) met archeologische vondsten te kunnen staven.
    Bij een nauwkeurig onderzoek van enkele vierkante meters kon de volgende gelaagdheid worden vastgesteld:
    a. een kleilaag van 15 cm dikte zonder vondsten;
    b. een smalle, geelbruine kleilaag van ca. 5 cm, met fragmenten van volksaardewerk, blauwgrijs aardewerk, een bronsfragment, stukken ijzer en 17e eeuws steergoed. Deze laag is sterk vervuild met stukjes roodgebakken bouwpuin, houtskool en kleine kiezelsteentjes. Plaatselijk was een sterke concentratie van vervuiling waar te nemen en ook konden kruislings lopende ploegsporen (7 - 10 cm. breed en 7 cm. diep) geconstateerd worden;
    c. op 20 cm. diepte een overgangslaag van 10 cm van klei naar ijzerhoudend zand met in het onderste gedeelte van de kleilaag fragmenten van blauwgrijs aardewerk en in het overgangsniveau enige Romeinse scherven, blauwgrijs aardewerk en ruwwandig steengoed. In de zandlaag daaronder kwam geen middeleeuws aardewerk meer voor. Middenin de laag werd een paalgat van grofkorrelige klei met een diameter van 35 cm. aangetroffen;
    d. op 30 cm diepte volgde een ca. 5 cm dikke laag met Romeins materiaal: gladwandig, gevernist en inheems-Romeins. Na 35 cm verschenen in ijzerhoudende zandlaag plekken vette grijze klei. Op 45 cm diepte is de vette grijze klei één laag geworden van 6 cm dikte, doorspekt met zandspikkels. Daaronder volgden afwisselende roestzand- en kleilagen. Onder de Romeinse laag werd geen materiaal meer aangetroffen.
    Wanneer we het geschetste natrekken in "De bodem van Nederland" zien we, dat het zowel kenmerken van een ooivaagbodem als van een poldervaagbodem heeft. Opmerkelijk in dit alles is natuurlijk de Romeinse laag. Het is nog steeds niet duidelijk of we hier te doen hebben met verspoeld of met oorspronkelijk "in situ gelegen materiaal . "
    Het verdere orderzoek zal dit moeten uitwijzen.
    WORDT VERVOLGD

    malburgsepolder

  • "De herberg van Küppers" stond in de Vierakkerstraat Uit Mededelingen, jaargang 4, nr 4/5 (1978/1979) Open or Close

    "De herberg van Küppers" stond in de Vierakkerstraat

    Uit Mededelingen, jaargang 4, nr 4/5 (1978/1979)

    In de vorige aflevering werd opgemerkt, dat de herberg van Küppers een royaal etablissement moet zijn geweest, gelet op het aantal van ca.70 feestvierders, die er zich op vastenavondsdinsdag 1853 ophieiden.
    Ons bestuurslid dr E. Smit is het intussen gelukt om te achterhalen in welk pand Küppers' herberg (en koperslagerij) was gevestigd. Het was het pand, laatstelijk gemerkt Vierakkerstraat D 148, dat bij het bombardement van 2 oktober 1944 werd getroffen en na de bevrijding werd gesloopt. Het was laatstelijk bewoond door het gezin van het toen gepensioneerde hoofd der r. k. jongensschool, de heer Willems. Op de plaats van dit pand werd na de bevrijding het winkel-woonhuis van de familie Eigenhuysen ("De Gunst") gebouwd (thans: nr. 31) , wier winkel (waar zich thans schoenhandel Huisman bevindt) tot aan het bombardement was gevestigd in het pand tussen de familie Willems en de familie Scheerder. Voordat de familie Willems het grote huis betrok, was het bewoond door de rijksontvanger Sarton (tevens gemeenteraadslid) , die er ook het belastingkantoor had gevestigd. Dit kantoor werd per 1 september 1932 opgeheven en gevoegd bij het kantoor Elst. Na P.F.W. Küppers ging het in eigendom over aan de "fabriekskoopman" Peter van Os cs, daarna aan A. Th. van Os cs. (directeur der Gemeente-Spaarbank), waarna het in 1864 werd verkocht aan dokter G. H. van Everdingen, die het in 1865 liet verbouwen.
    In 1882 werd eigenaresse: Wilheimina Martina van Gendt, "zonder beroep", te Huissen. Laatstelijk was het pand eigendom van de Zusters van Heijthuizen. Het werd op 5 augustus 1943 door de burgemeester op de Gemeentelijke Monumentenlijst geplaatst onder nr. XX zijnde een "woonhuis, met door regelmatig ingedeeide ramen voornaam gehouden voorgevel " .
    De stoep van het pand van de familie Willems en die van het huidige (behouden gebleven) dubbele woonhuis nr. 33/35, was gescheiden door een gesmeed hek, dat we nog vonden afgebeeld op een foto van de viering van het beleg en ontzet in 1939.

    H. W. J.D.

    kuppers2

    kuppers3

  • "Stadserf": 75 jaar geleden Uit Mededelingen, jaargang 4 nr. 4/5 (1978/1979) Open or Close

    "Stadserf": 75 jaar geleden

    Uit Mededelingen, jaargang 4 , nr. 4/5 (1978/1979)

    Vijf en zeventig jaar geleden - op 7 september 1904 - verzond een (jonge?) Huissenaar de op de omslag afgebeelde ansichtkaart. Wie hij of zij was is onbekend. Op de voorzijde had de afzend(st)er zichzelf afgebeeld gevonden toen hij/ zij de kaart zag liggen in de winkel van Geveling in de Vierakkerstraat. Met een eenvoudig "ik" ter hoogte van het ouderwetse melkkarretje, gaf hij/ zij aan waar hij/ zij op de foto stond afgebeeld. Voor de geadresseerde was dat kennel ijk voldoende. Dat was "Mejuffrouw R. Burgers, p/a Den Heer Jozehfie No. 25 Rijnstraat Arnhem" de latere echtgenote van de huidige oudste inwoner van Huissen, de 94-jarige heer J. Brons (Mariaplein). 
    Op de originele kaart, die wij ontvingen van mevr. C. Jeurissen - Siepman, staat naast de foto gedrukt: "Huissen, Langestraat. 8045. uitgave van Th. Geveling, Huissen". Zij behoort tot een serie van bijzonder scherpe opnamen. Voor na de oorlog geboren en "nieuwe" Huissenaren zal deze foto nog slechts één herkenningspunt opleveren, nl. geheel rechts de Gelderse gevel, die toen nog bepleisterd was. Behalve deze gevel en op de achtergrond rechts huis en schuur van de fam. Pauw op de Markt (thans café Het Schuurke) zijn alle andere op de foto voorkomende panden verdwenen.
    Met uitzondering van het stadhuis en de daarvóór staande hardstenen pomps die eind 1938 reeds verdwenen waren werden alle panden na de bevrijding gesloopt. De meeste waren getroffen óf bij het bombardement van 13/14 mei 1943 (de huizen van Van Dort, Houtkoper en Schopman, links) òf bij het grote bombardement van 2 oktober 1944. De foto is niet onbekend. Publikatie nú werd ons ingegeven door de recente publikaties rond de (inmiddeis gefiatteerde) plannen tot aanleg van een zgn. stadserf, welke weldra gerealiseerd zullen worden.
    Enkele elementen van die stadserfaanieg betekenen namelijk in feite een terugkeer naar de situatie, zoals die op deze foto, welke nog vóór de aan!eg van de tramrails werd gemaakt, is vastgeIegd. De asfaltering zat verdwijnen om plaats te rnaken voor de traditioneie bestrating, een rijgedeelte en aan weerszijden daarvan voetgangersgedeelten. Een rijgedeelte kende de Langestraat in de vorm van een bestrating met zgn. kinderkopjes. Het werd gef!ankeerd door beklinkerde voetpaden langs de stoepen.
    Deze - de stoepen - gaven aan Langestraat en Vierakkerstraat een eigen, toch wel karakteristiek accent. Elk huis had zijn eigen stoep, zowel qua vorm als qua hoogte. Sommige hadden bij de voordeur nog eens een extra opstap. Er waren eenvoudige, van klinkers gemetselde stoepen, maar daarnaast ook bijzonder fraaie trottoirs van kleine of grote tegels; sommige van grote hardstenen platen en enkeie (o.a. bij de familie de Haas - naast de familie Broekman) waren voorzien van stoepranden met ingehakte huismerken e.d. Deze waren waarschijnlijk van gesloopte gebouwen afkomstig.
    En om de huidige term "straatmeubilair te hanteren: tal van stoepen waren van gesmede hekwerken voorzien, zoais ook de foto laat zien o.a. bij de Gelderse gevel en enkele aan de overzijde staande panden.De stoephekken-situatie, zoals die op de foto voorkomt en die ook elders de Langestraat en Vierakkerstraat kenmerkte, bieef grotendeels ongewijzigd tot aan het bombardement van 2 oktober 1944.Daarna deed de naooriogse reconstructie van de beide straten de oude stoepen rigoureus verdwijnen en uniforme, doorlopende trottoirs ontstaan. Ook deze foto laat zien, dat de straten van het stadje interessante, zo niet opmerkelijke geveis kende.
    Dit gold vooral voor het gefotografeerde gedeelte tussen Gelderse gevel en Markt, dat bij het grote bombardement bijzonder zwaar werd getroffen.

    H.W.J.D.

    stadserf3

  • De Arnhemse Poort te Huissen uit Mededelingen jrg. 4 nr. 3 (1978/79) Open or Close

    De Arnhemse Poort te Huissen

    uit Mededelingen jrg. 4 nr. 3 (1978/79)

    door TH. H. JANSSEN

    Nu allerwegen het gesprek rond de ontsluiting van de (straat) Arnhemse Poort op gang komt, heeft het zin de voormalige stadspoort, waaraan de naam hier onder de aandacht te brengen. Deze poort was eertijds één der bouwerken, welke Huissen in wellicht de 13e, doch zeker in de 14e eeuw, naar buiten het aanzien van een stadje gaf. Op de plaats waar deze Arnhemse poort zich bevond, werden in verband met een reconstructie van de oprit naar de nieuwe dijk Huissen-Arnhem in de week van 8 tot 13 maart 1971 door de fa. Heyting te Huissen grondverplaatsingswerkzaamheden verricht. Daarbij kwam een klein fragment van een laat middeleeuws muurwerk vrij, dat een dikte had van 0.75 mtr. poort1kDank zij één der heren Heyting kreeg ik de gelegenheid om in het daarop volgende weekend een groter gedeelte te ontgraven. Jammer genoeg kon de opgraving slechts beperkt worden uitgevoerd wegens de beschikbare tijd. In de daaropvolgende week moest namelijk een begin worden gemaakt met de afwerking van de oprit, welke dwars over het muurwerk kwam te liggen. Tijdens dit weekend kon ik een veel groter gedeelte vrij maken en wel zover , dat een aardig zicht op het totale Arnhemse Poortcomplex kon worden verkregen. Over dit waren tot dat moment nog maar enkeie summiere gegevens voorhanden in de vorm van primitieve grondplan- en aanzichtschetsen op enkele 16e en 18e eeuwse kaarten van Huissen. Het onderzoek kon dus een aanmerkelijke bijdrage leveren aan de kennis ven de wordingsgeschiedenis van ons stadje.
    De schets op de volgende pagina brengt het ontgraven gedeelte in beeld. Het over een lengte van 19 meter aangetroffen muurwerk met een fragment van een rondeel was uit in kruisverband gelegde kloostermoppen (de vroege groot formaat baksteen) opgebouwd. De stenen hadden een lengte van 26 tot 28 cm. en waren 13 cm. breed. poort2kDe tras (specie), welke de stenen verbond, was kennelijk aangemaakt met gerstemeel , waarvan bekend is, dat het een stevige kleefkracht bewerkstelligt. Het muurwerk schijnt bij de ontmanteling van Huissen (van midden 18e tot begin 19e eeuw) tot iets beneden het huidige straatniveau te zijn gesloopt. Mijns inziens was dit niet tot op de diepte van de fundamenten, daar het muurwerk tot op een meter diepte nog schoon metselwerk vertoonde. Dit valt te verklaren uit het feit, dat deze omgeving begin 19e eeuw is opgehoogd in verband met de verhoging van het direct in de nabijheid gelegen dijklichaam van de Stadsdam. Jammer genoeg kon wegens het gebrek aan tijd het onderzoek niet tot onder de fundamenten worden uitgebreid, zodat nog geen direct bewijs van de datering van een eerste bouw kon worden verkregen. Het is namelijk nog steeds niet bekend op welk tijdstip de ommanteling van Huissen een aanvang heeft genomen. Bij de ingang van de meest noordelijke zijde werd op de met A gemerkte plaats bij een ondiepe afgraving gestoten op een wegplaveisel van veldkeien, formaat 6 tot 8 cm. rond. Wat dieper bleek een nog oudere wegverharding aanwezig te zijn, waaronder zich veldkeien van een nog groter formaat bevcnden. Dit plaveisel was gericht op de dijk richting Arnhem en niet op de Loostraat. poort3kDe breedte was plm. 3 meter. Op de met B gemerkte plaats werden in het verlengde van elkaar op zijn kant staande kloostermoppen aangetroffen. De ruimte tussen deze kantstenen en het muurwerk was opgevuld met in verticale stand naast elkaar geplaatste platte veldkeien. Mogelijk heeft zich hier een uitsparing met boogfries bevonden, waarin de ingangspoort kon worden gedraaid. Deze poortingang is vermoedelijk via een brug over de stadsgracht bereikbaar geweest. Een bevestiging van dit gegeven kon tijdens dit onderzoek niet verkregen worden. Op de met C gemerkte plaats bleek bij een diepere uitgraving, dat het muurwerk ter plaatse per steen trapsgewijze naar buiten was uitgebouwd. Mogelijk is dit het begin geweest van een stenen trap naar een hoger in het gebouw gelegen vertrek. In het met D gemerkte gedeelte kwam een vlakke specielaag te voorschijn, welke deels door muurwerk was omgeven. Moeten we hier denken aan een restant van een poortwachtersonderkomen of aan een middenstuk, dat een tweedelige ingang van het poortgebouw ondersteunde ? Moge!ijk kan het dus ook gietwerk zijn geweest, nl. een dun muurwerk , dat in de vorm van een pilaar is opgetrokken en waar de ruimte binnenin werd gevuld met mortel en baksteenpuin. Tijdens het onderzoek werden veel fragmenten gevonden van het uit de 15e eeuw stammende Siegburger Steinzeug, met name van de zgn. Jacoba-kannetjes. Deze datering vormt echter nog geen gegeven voor de vroegste datering van het bouwwerk daar alleen de bovenlaag kon worden onderzocht. Naast dit materiaal werden ook dikke spijkers en (naar alle waarschijnlijkheid) ijzeren keggen aangetroffen.
    Voorts nog fragmenten van leien en korte stukken bronsdraad, welke kennelijk wijzen op het feit, dat het gebouw van een leien dakbedekking voorzien is geweest. Evenals op: het voormalige burchtterrein (huidige Dominicanenklooster) zijn hier ook groen geglazuurde kloostermoppen aangetroffen, welke wel ter aankleding van de binnenmuren of vloeren hebben gediend.
    Afgaande op het gevondene en de voorhanden zijnde oude schetsen is de Arnhemse Poort een vrij groot complex geweest. Het gevondene en in beeld gebraçhte muurwerk maakte deel uit van het voorste gedeelte van het poortcomplex: een soort rondeelachtige ingang, welke met twee geknikte weermuren was verbonden met een dieper in de stad gelegen poortgebouw (m.i. van jongere datum) , waaraan aan beide zijden de stadsmuur haaks aansloot en wel in de richting van resp. de Dijk en de Walstraat. Van dit laatste poortgebouw werd in de Langestraat bij de bouw van het Hemapand op één meter diepte een keibestrating aangetroffen, overeenkomend met het plaveisel , dat bij het onderzoekvan de poort ingang werd aangetroffen. Het met E gemerkte muurwerk (vóór het pand van de fam. Bosman/ Jeurissen, nr. 108) vormde een gedeelte van één der weermuren en loopt naar alle waarschijnlijkheid onder de huizen door tot het huidige café Arnhemse Poort ter hoogte waarvan, het binnenpoortgedeelte geplaatst dient te worden.De onder dit pand gelegen kelder is welhaast zeker van dit poortgebouw afkomstig. De Strang (Rijn of Rijnarm), welke tot de 17e eeuw nog met schepen bevaarbaar was, was door een haventje met dit poortgebouw verbonden. Tijdens de uitgraving kreeg ik nog geen antwoord op de vraag of dit haventje mogelijk in verbinding heeft gestaan met de stadsgracht, welke aan de buitenzijde rond het poortcomplex heeft gelegen.
    Samenvattend kan worden gezegd, dat we bij dit poortcomplex te maken hebben met twee poortgebouwen waarvan het voorste een rond grondplan en het binnen stad gelegene een vierhoekig grondplan had. Ook het poortcomplex aan de zuidoost—zijde van Huissen bestond uit een poortgebouw met een vierhoekig grondplan (Vierackersche Poort) en een poortgebouw, gevormd o.a. door twee ronde torens (de buitenpoort) . Beide poortgebouwen waren eveneens door twee weermuren met elkaar verbonden. Persoonlijk ben ik van mening, hoewel ik dit nog niet geheel kan bewijzen, dat de met het ronde grondplan de oudste verdedigingswerken zijn geweest. Gelukkig kon ik bewerkstelligen, dat de aangetroffen muurwerken aan de Arnhemse Poort voor een nader onderzoek gespaard bleven.
    Ze zijn nl. tijdens het afwerken van het wegdek met een dikke zandlaag afgedekt. Indien een ontsluiting van de Arnhemse Poort doorgang zou vinden, zouden de dientengevolge noodzakelijke grondverplaatsingen een mogelijkheid geven voor een nader onderzoek van het overige gedeelte van het complex.
    poort4k
    poort5k

  • De doorbraak bij Huissen in 1769, uit Mededelingen jrg. 4 nr. 3 (1978/79) Open or Close

    De doorbraak bij Huissen in 1769

    uit Mededelingen jrg. 4 nr. 3 (1978/79)

    In de Landsmeerse Poort te Culemborg bevindt zich een voor Huissen interessante steen. Door een aanwijzend handje wordt hier aangegeven hoe hoog het water in de stad Culemborg stond ten gevolge van de dijkdoorbraak bij HUISSEN op 29 december 1769. Over deze voor de Betuwe opmerkelijk zware overstromingsramp handelt de hier volgende bijdrage.
    De oorzaak van de dijkdoorbraak van 1769 was eigenlijk het graven van het in 1707 gereedgekomen Pannerdens Kanaal. In de 17e eeuw had de Nederrijn steeds een tekort aan water gehad, waardoor ook de dijken niet teveel te verduren hadden. Sinds 1707 stroomde steeds meer water door het Pannerdens Kanaal én door de oude Rijnloop. Stroomopwaarts leidde dat tot het ontstaan van een grote meander in de rivier, die tenslotte in 1764 de ondergang van het oude dorp Herwen veroorzaakte. Waar de oude Nederrijnloop en het Pannerdens Kanaal bijeenkwamen kwamen de dijken 's winters onder grote druk te staan, vooral ook, omdat de verzande IJsselmond de afvoer van water naar die richting verhinderde. Een en ander had reeds in de eerste helft van de 18e eeuw tot talrijke doorbraken geleid. Het gevaar werd ook wel gezien, maar doordat bij maatregelen liefst vijf partijen betrokken waren, namelijk Pruisen en de Nederlandse provincies Gelderland, Holland, Utrecht en Overijssel, was het nemen van besluiten erg moeilijk. Om toch tot resultaat te komen moest eerst een grote ramp plaatsvinden. In de nacht van 27 op 28 december 1769 brak de dijk tussen Angeren en Huissen over een lengte van 160 meter door. Het aantal slachtoffers was in Huissen niet groot; kennelijk had men de doorbraak zien aankomen.Op de Pol, net achter het gat in de dijk, verdronk een oud-matroos Van Wissen, terwijl de zoon van baron Van Spittaal maar net gered kon worden. Ook de toen 27—jarige Johann Friedrich Pilgrim, de latere burgemeester, verdronk bijna bij het omslaan van een boot.
    Het water liep prompt de hele Betuwe in. Pas de Diefdijk,die de Betuwe van de Vijfherenlanden en de Alblasserwaard scheidde, hield de stroom water tegen; op 31 december stond het water er 16 à 17 voet hoog tegenaan. Vooral voor-de laagst gelegen delen van de Betuwe was de toestand zeer rampzalig, terwijl men niet moet denken aan de catastrofe, die bij een breuk in de Diefdijk kon ontstaan.
    Toen het water wat gezakt was, legde men bij Huissen een noodkade, die eind januari 1770 Opnieuw doorbrak. pas het voorjaar bracht verlichting. Eind april was de Neder-Betuwe grotendeels weer droog, maar Culemborg bleef het hele jaar water houden.
    De Pruisische overheid weigerde een herstel van de Huissense dijk, zolang dit niet gepaard ging met ruimere maatregelen om herhal ing van de doorbraak te voorkomen. Zelfs dreigde zij de dijk op zomerdamhoogte te houden, zodat de Betuwe elk jaar vol zou lopen. Een behoorl ijk herstel vond dan ook in 1770 niet plaats, zodat op 1 december de Betuwe opnieuw volstroomde. Toen daarbij in januari 1771 nog grote stormen kwamen, die de vruchtbomen ontwortelden, was de schade niet meer te overzien. Pas in april 1771 kwamen de heren Nederlandse en Pruisische onderhandelaars, wier overlegmethode de ingezetenen al zo grote schade had gebracht, in Arnhem tot resultaat. Er werden opmerkelijke maatregelen getroffen, waarvan de voor Huissen interessantste de doorgraving van de Pley is, die in 1773-1775 tot stand kwam. Stroomopwaarts werd ook de Bylandse Waard doorgegraven (in 1775) terwijl nog een aantal maatregelen bij de mond van de oude Rijn en de dijk bij Herwen werd genomen. De dijk bij HUISSEN werd in de zomer van 1771 definitief hersteld.

    Dr. E.SMIT

    Bronnen :
    - G. P. van der Ven, Aan de wieg van Rijkswaterstaat. Zutphen, 1976. (Hoofdstuk VI) .
    - A.R. Hol, De Arnhem, 19762 (Pg.52).
    - R.H. Graadt Jonckers, Huissen, eene stad des vredes. Dordrecht, 1856 (pg. 4).

    doorbraak 1

    doorbraak2

     

  • De Kleefse burcht van Huissen, uit Mededelingen jrg. 4 nr. 6 (1978/79) Open or Close

    De Kleefse burcht van Huissen

    uit Mededelingen jrg. 4 nr. 6 (1978/79)

    bij de recente prentvondst
    door Th.H. Janssen

    De gereproduceerde - kortgeleden ontdekte - afbeelding van een gedeelte van het voormalige burchtcomplex, wijst er op dat dit complex een vrij omvangrijke bebouwing moet hebben gehad.
    Men kan het geheel situeren op de plaats van het huidige Dominicanenklooster tot aan het Hoofdkwartier van de Verkennersgroep Mbaga- De Huissense burcht der Kleefse landsheren wordt, voorzover mij bekend, het eerst genoemd in een oorkonde uit 1332, waarbii graaf Dirk IX van Kleef een leen uitgeeft op zijn burcht te Huissen (1).
    In een oorkonde van 7 september 1361, waarin graaf Johan van Kleef ridder Otto van Bilant tot Drost en Ambtman van Huissen en Malburgen benoemt, wordt een aantal bouwwerken uit het complex genoemd: HUYS (woonhuis), BORGH (versterkt huis) en TORN (toren) (2). Volgens mij is er op de prent van Van Alkemade en Van der Schelling maar één van deze gebouwen zichtbaar.
    De prent geeft de situatie weer zoals die in het begin van de 18e eeuw, vanuit het NOORDEN te zien moet zijn geweest en wel vanuit halfweg de huidige Burchtgracht.
    Tussen deze straat - welke in de 16e eeuw "de wegh langs die Borghgraft" werd genoemd - en het burchtcompiex, ligt, zoals vaag op de tekening is te zien een brede gracht, welke zich langs de gehele huidige Burchtgracht tot aan de Vierakkerstraat uitstrekte.
    Achter deze gracht is op de prent een vrij omvangrijke bebouwing te herkennen, waarvan een gedeelte door een weermuur (verdedigingsmuur) is omgeven met hoektorens. Tegen deze weermuur, welke ná de burchtgracht als tweede bescherming dienst deed, is een hordijs te onderscheiden.
    Een hordijs is een houten galerij, welke aan de buitenzijde tegen de weermuur is aangebouwd als extra verdedigingsvoorziening bij een belegering.
    Deze houten bouwsels waren in de planken vloer van werpgaten voorzien. De galerij was aan balken bevestigd, welke door gaten in de weermuur liepen.
    Rechts op de tekening is ijk de zgn. Grote Toren te herkennen, welke eeuwenlang in het stadsbeeld een dominerende functie heeft gehad. Deze Grote Toren wordt in de burchtbouw tot de zgn. motteburchten gerekend. "Motto" is een uit het Frans afkomstige benaming voor met mensenhanden opgeworpen (kunstmatige) heuvels, welke oorspronkelijk van een houten toren met palissade en later een stenen donjon of woontoren met ringmuur zijn voorzien.
    De donjon was in de vroegste tijden van de burchtbouw het laatst te verdedigen toevluchtsoord (vluchttoren). De ingang van een dergelijke toren bevind zich ver boven de begane grond en was alleen bereikbaar via een ladder of trap, welke tiidens een belegering werd ingetrokken. De Grote Toren , zoals deze op de tekening is weergegeven, valt te plaatsen in de tuin van het klooster, tussen de kloosterkape! en het verkennershoofdkwartier.
    In het begin van de jaren vijftig heeft men bij de sanering van het laatste restant van deze motteburcht, namelijk de burchtheuvel welke de Hazenberg werd genoemd, door orderzoek weten te achterhalen, dat de grondophoging van deze door mensenhanden opgeworpen heuvel tot aan de l0e eeuw heeft geduurd. Daarna, in de 10e eeuw of iets later, heeft men op de kruin van deze heuvel uit tufsteen de toren met ringmuur gebouwd.Deze vluchttoren moet in het Overbetuwse land één der eerste stenen verdedigingsbouwwerken zijn geweest.
    Bij een dergelijke mottetoren behoorde ook altijd een voorhof of voorburcht, die meestal van een omwalling was voorzien. Deze voorhof of —burcht moet m.i. hier óók hebben gelegen en moet worden gedacht op de piaats, waar nu het eigenlijke kiooster staat.
    Dit terreingedeelte, waarop mogelijk reeds twee bouwwerken aanwezig waren van een vroegere datum dan de Grote Toren en waarvan er één de Danenbergh heette, lijkt me in de 12e eeuw te zijn uitgebouwd tot een zelfstandig burchtcomplex, dat door een muurwerk met weergang met de Grote Toren werd verbonden.
    Ais we nu tot de prent terugkeren zien we vervolgens in het midden, links van de Grote Toren, een hoog bouwwerk met getrapte zijgevel, dat het woonhuis of het kasteel was. In dit huis zal de beheerder van het burchtcomplex zijn onderkomen hebben gehad. Hier zullen zich 00k de leefruimten, zoals de ontvangsthal, de eet- en slaapvertrekken, de keuken met proviandruimten en kelders, hebben bevonden.
    Ongetwijfeld zal dit kasteel via een trappenbordes vanaf het burchtplein te bereiken zijn geweest. Vóór dit kasteel zien we links één der poorten van het poortcomplex via hetwelk men vanuit de stad toegang kreeg tot het burchtterrein. Deze toegangspoort is maar een gedeelte van het poortcomplex. Het poortgebouw wordt gevormd door twee op enige afstand van elkaar staande torens, die door een muurwerk met doorgang met elkaar zijn verbonden. Te oordelen aan de raampartijtjes, welke in het bovengedeelte van het muurwerk te zien zijn, zal in het middengedeelte van het poortgebouw nog een ruimte aanwezig zijn geweest.
    De beide torens sloten zich aan beide zijden op de weermuur rond de burcht aan. Voor deze poort is juist nog even het bovendeel zichtbaar van het huis, dat door de poortwachter moet zijn bewoond geweest. Vanaf deze poort tot het op de prent in de linker onderhoek zichtbare huis, waarvan een gedeelte van de achtergevel en van de getrapte zijgevel juist nog even te zien is, loopt een muurwerk over de burchtgracht, dat m.i. doorloopt naar de voorpoort van het poortcomplex .
    De muur zal ook aan de andere zijde gelegen hebben, zodat de weg tussen de vóór- en binnenpoort aan beide zijde begrensd en beveiligd zal zijn geweest.
    De voorpoort heeft zich bevonden ter hoogte van het ontmoetingspunt Burchtgracht(straat) en Gasthuisstraat. Vermeldenswaard is, dat de Gasthuisstraat in de 17e eeuw de "Borgstrasz", de weg naar de burcht werd genoemd.
    Het inksonder op de prent nog zichtbare huis wordt in de 17e eeuwse stukken "het erste haus voor der Schloszbrugge" genoemd.Hiermede wordt aangeduid, dat v66r de voorpoort een well icht ophaalbare brug over een doorloop van de bugchtgracht heeft gelegen.
    Rest nog te vermelden, dat op de tekening binnen het ommuurde burchtterrein enkele kleine bouwwerken te zien zijn. Deze zullen ongetwijfeld hebben gediend als onderkomen voor de leden van de burchtbezetting (manschappen) met hun gezinnen. Tevens zullen deze ook wel als onderkomen hebben gediend voor de paarden, het wagenpark en de verdedigingswerktuigen en -middelen.

    DE KLEEFSE BURCHT VAN HUISSEN  
    1) Afgedrukt bij: Lacomblet, urkundenbuch, 3, 117.
    2) Ilgen, Quellen , Band II, 1.Teil, pg. 124-125: "End hebben voert denselben heren Otten bevalen onse huys ende borgh end torn tot Huyssen to hueden end te bewaren, op wilk huys end borgh voerscr. hij ons halden sal ijlf gueder manne gewapent tot hem selven... "
    Opgemerkt moge worden, dat Egbert Hopp in zijn "Kurze Beschreibung des Clevischen Landes..." melding maakt van het feit, dat hertog Adolf II (1394—1411) het kasteel te Huissen zou hebben laten bouwen. Deze hertog was ook de bouwheer van de Zwanenburcht te Kleef. (Zie ook: J. Zweers, Egbert Hopp en Huissen, in "Mededelingen", 2e jrg.,nr. 6, pg. 152—15B).

    slot Custom

    Het onderschrift van de prent luidt: te Huessen, niet verre van de Stad Aarnhem, over Isseloort in de Betuwe gelegen, nabij den oever van den Rijn, int Stedeken dat die naam draagt behoort, t'geen opmerkelijk is, onder t' land van Kleef, begrijpende een kreijts, dat men inde Kaart met een kleijne penning kan bedekken, waar in de Roomsche een openbaar Klooster hebben, t'welk den Koning van Pruissen geen klein gewin aanbrengt. En nadien dit Stedeken van der Staaten gebied geheel omringt is, zoo ist niet oneijgen, dat dit deftige Slot mede onder de Geldersche gebouwen geteld werd" .

  • Vierakkerstraat voor ca. 65 jaar, uit Mededelingen jrg. 4 nr. 6 (1978/1979) Open or Close

    Vierakkerstraat voor ca. 65  jaar, uit Mededelingen jrg. 4 nr. 6 (1978/79)

    uit Mededelingen jrg. 4 nr. 6 (1978/79

    Bij een oude ansichtkaart

    Het Kring-lid, de heer G. Bedeaux, is er in geslaagd om een weinig bekende ansichtkaart van Huissen aan te kopen van een Oosterbeeks verzamelaar. Hij heeft haar graag ter reproductie afgestaan en wij zijn hem daarvoor biizonder erkentelijk. De opname is gemaakt en uitgegeven door wijlen de heer A. J. Scheepers ( in de volksmond "Jaonus' Scheepers) onder nr. 9888, en toont de Vierakkerstraat, gezien naar de richting Markt, vanaf een punt iets voorbij de Pepergas. De heer Scheepers, eigenaar van manufacturenhande! "De Beijenkorf" en Bioscoop Apollo, was een verwoed fotograaf, die tal van ansichten van Huissen heeft vervaardigd. Het Onderhavige exemplaar is vrij zeldzaam. Er zijn méér opnamen van de Vierakkerstraat vanaf ongeveer dit punt bekends maar geen vertoont zoveel poserende mensen. Deze ansichtkaart is dan ook zeker curieus te noemen. De opname is in elk geval na 1910 gemaakt omdat de trambaan er op voorkomt, die in dat jaar werd aangelegd.
    Voor de "identificatiet' zijn we te rade gegaan bij de heer J. Brons, Huissens oudste inwoner, die echter de afgebeelde personen niet meer kon thuis brengen.
    Ten aanzien van de panden waren er minder moeilijkheden. Te beginnen rechts op de voorgrond: manufacturen- en hoedenmagazijn "De Zon" van Cor. Scheepers (broer van de fotograaf) .
    Dit pand is in de jaren dertig afgebrand. Vervolgens: slagerij Koos Giesbers, fam. Goris (daarna Kortman), dan bakkerij Jan Siepman, voorts mej. Hendriks en de pettenmaker Willem Abrahams (dit oude pand staat er nog, naast Alfa-Makelaardij) .
    Op de foto is nog de straatlantaarn aan de gevel van het hoekhuis Vierakkerstraat/Tempelierenstraat zichtbaar. Op de achtergrond het huis, dat toen bewoond werd door koperslager Hoff, later door schilder M. Hendriks. Vanaf de voorgrond links: huis en winkel van Agnes Wouters ("Niske de Geit") , thans bakkerij Borgers; vervolgens: koperslager Kees Huisman (pand met een klokje in een gevelsteen) ; dan: winkel-woonhuis en bakkerij Van der Welk, thans resp.supermarkt Geveling en Maison Henny, dan: Lentjes, Smitter, dames Bos, pakhuis v.d.Welk (Stadswaag) en hoekpand J. Berns.

    vierakkerstraat 65 jaar geleden1

  • De Markt toen er nog veemarkt werd gehouden, uit Mededelingen jrg. 3 nr. 6 (1978) Open or Close

    De Markt toen er nog veemarkt werd gehouden

    Uit Mededelingen, jaargang 3, nummer 6 (1978)

    De Markt is vanaf de bevrijding regelmatig een punt van discussie geweest in het kader van de plannen rond de wederopbouw van de kom.
    De rapporten, voorstellen en historische beschouwingen daaromtrent zijn legio. In de uitgave Huissen in oude ansichten' (Zaltbommel ,1973) vindt men via de foto's 1 t/ m 7 de wisselende situatie rond de Markt vanaf de eeuwwisseiing tot en met ca. 1940 in beeld gebracht.
    Het zijn echter alle stereotype ansichtkaarten, d. w. z. "stillevens". Wij publiceren thans twee (amateur-)foto's, die een activiteit op de Markt in beeld brengen, welke inherent is aan een marktplein: het houden van een (vee—)markt, en wel in de vooroorlogse jaren.
    De weekmarkt, zoals die thans, sinds een aantal jaren, op de vrijdagmiddag wordt gehouden, deed voor het eerst haar intrede in het najaar van 1940, ofschoon er in vroeger eeuwen uiteraard tal van markten werden gehouden, zowel jaar- als weekmarkten. (Men Zie o. a. de snipper "Markten te Huissen" in ' 'Mededelingen', le jrg. ,nr.2, pg. 19) .
    Het houden van veemarkten, zowel in het voorjaar als in het najaar, was van belang toen Huissen nog veeteelt van enige betekenis kende.
    Het houden van veemarkten werd met name in de vorige eeuw en in de eerste drie decennia van deze eeuw steeds sterk gestimuleerd door de gemeenteraad, waarin - althans in de vorige eeuw - het agrarisch element sterk vertegenwoordigd was, zo niet overheerste.
    In "Huissen, eene stad des vredes" (Dordrecht, 1856) maakt ds R. H. Graadt Jonckers op pg. 11 gewag van de in het oude keurboek ("Rechten der stad Huissen") vermelde vier "Peertsjaarmarckten" en van het feit, dat "men nu met nog niet veel succes eene beestenmarkt heeft opgerigt, ofschoon de Huissensche veehouders meermalen op keuringen of tentoonstellingen bekroond zijn".
    Dat het met de aanvoer op de — in de jaren veer tig van de vorige eeuw - nieuw geactiveerde veemarkten niet zo best gesteld was, blijkt bv. uit de raadsnotulen van 1848. De gemeenteraad besloot daarom een advertentie te plaatsen in de Arnhemsche Courant, waarin werd geannonceerd, dat twee premies waren vastgesteld voor de eerste markt, nl. f. 12.-- "voor hem, die het meeste hoornvee hier ter markt brengt en f. 6.-- voor hem, die deze het naaste bijkomt, zullende in twijfelachtige gevallen het gemeentebestuur desideeren".

    veemarkt42
    De folder, die de Marktcommissie in september 1940 in Arnhem-Zuid liet verspreiden. Deze commissie, welke in maart 1940 besloot tot oprichting van de "Vereeniging ter bevordering van de veeteelt en het marktwezen Huissen" , bestond uit de heren: G.Janssen Hzn, F.van Dort, A. H. Berendsen, C. Hoogerbrugge, A.Tonk, S.A.Huisman, G.J.v.d.Beld, Jac.van Vorselen, H. Wolters, W. Th. van Huet en E. J.Vliem.
    Tot instelling van de weekmarkt besloot de raad in juli 1940 .


    Nadat de advertentie in maart was geplaatst werden in april reeds uitbetaald aan H. Weltjens en Henr. Konings, beiden te Huissen, resp. f. 12.—- en f. 6.-- "voor premie van op den 4 April 1848 het hoogste getal hoornvee aan de Markt te hebben gebragt". Een kwarteeuw later, toen er 3 voorjaarsveemarkten werden gehouden, was de situatie aanmerkelijk beter en het lijkt ons interessant om een indruk te geven van deze situatie, nu ruim een eeuw geleden, zoals die wordt medegedeeld in een krantebericht van 22 april 1875:
    "Huissen. - Onze voorjaarsmarkten op 6, 13 en 20 April waren dit jaar ruim voorzien van schoon rundvee in groote verscheidenheid, en gaven den talrijken marktbezoekers en veehandelaars de beste gelegenheid hunne gading te maken.
    Op den eersten marktdag waren er ongeveer 150 stuks schoon vee aan de lijn; dit getal klom op den tweeden tot circa 200 stuks uitmuntend vee; terwijl er op de laatste markt een honderdtal waren aangevoerd. De handel was levendig, er werden flinke prijzen bedongen en aanzienlijke koopen gedaan tot koppels van 6 en 9 stuks.
    Over het algemeen kan gezegd worden, dat de verwachting overtroffen is" .
    De foto's, die wij nu publiceren, werden gemaakt tijdens de voorjaarsveemarkt op woensdag, 13 april 1932. Een krantebericht zegt ervan: "Het was j.l. Woensdag een ongekende drukte in ons anders zoo rustig stadje bij gelegenheid der Voorjaars-Veemarkt. Aangevoerd waren 70 stuks hoornvee en S manden biggen. De handel was vlug en menig beestje ging in andere handen over".

    veemarkt32
    0e belangstelling op deze veemarkt was zo groot, dat de koeien — op één na (bovenste foto) - onzichtbaar zijn geworden. Uit de foto's blijkt, dat het vee was opgesteld zowel aan de kant van de Rijnstraat (foto boven) als bij de hoek Langestraat—Vierakkersestraat (foto beneden). De foto's zijn bovendien interessant wegens de gebouwen, die er op voorkomen. Op beide opnamen staat centraal het hoekpand Langestraat-Markt-Rijnstraat. Het was destijds bewoond door de heer M. (Tinus) Hendriks, schilder. In de aanbouw met het schuine dak had hij de werkplaats. Boven de dubbeIe deuren stond geschilderd: "Schilderwerkplaats". Enkele jaren later werd het pand gesloopt, waarna de heer J.A. van der Kemp er het winkel-woonhuis ("De Toko") liet bouwen, dat er nu nog staat.
    Er is thans een kapsalon (Koeleman) in gevestigd. Achter de werkplaats is zichtbaar het hoge achterhuis van het pand, destijds bewoond door de fam. Hagdorn (winkel —bakkerij—woonhuis) , thans drukkerij Kuipers. Op deze foto, we!ke vanaf de dijkafrit werd gemaakt, zijn verder zichtbaar: links het café op de hoek Langestraat—Markt- Vierakkersestraat (laatstelijk Café Hoedt) en daarnaast café De Poort van Cleef. Beide panden werden bij het bombardement van 2 oktober 1944 getroffen en na de bevrijding gesloopt. Op de achtergrond zijn zichtbaar de torenspitsen van de r.k.kerk (links) en de herv. kerk (rechts), beide aan de oorlogshandel ingen ten offer gevallen. Het huisje uiterst rechts, dat op de benedenste foto beter zichtbaar is, is behouden gebleven.
    De foto beneden werd vanaf de kant van de Tempelierenstraat gemaakt. Links op de voorgrond ziet men de oude hardstenen stadspomp, waartegen een ANWB-wegwijzer was geplaatst. De opname laat ook de voorgevel van het hoekpand—Hendriks zien; daarnaast winkel -bakkerij-woonhuis Hagdorn. Voorts (even zichtbaar) het pand van de fam. Broekman. Daarnaast stond het oude huis van de fam. De Haas, dat op de Gemeentelijke Monumentenlijst van 1943 werd geplaatst met de redengevende omschrijving: "... met kenmerkende dakkapel en fraaie Bentheimer stoep (waarvan één der stenen aan de Arnhemse Poort is geplaatst) , alsmede voordeur met levensboom in bovenlicht".
    Tenslotte is zichtbaar de hoge topgevel , die met een scheepje was bekroond; een opmerkelijke schepping van de bouwkundige Frans Siepman. Rechts op de voorgrond kinderen, die geleund staan tegen de palen, die op marktdagen werden geplaatst.

    De Markt van de toekomst ?
    Nog steeds is, zoals bekend, niet definitief vastgesteld hoe in de toekomst de Markt er zal gaan uitzien. Nu het nieuwe stadhuis tenslotte toch niet op zijn historische plaats is teruggekeerd wordt - in het kader van het Ontwerp-Structuurplan voor de Kom - aan een andere representatieve bebouwing gedacht. Niettemin blijft het gegeven, dat de na de oorlog ontstane vergrote Markt door de uitbreiding aan de noord(Vervolg op pg. 248)
    zijde een nmoeiiijk" plein doordat het doorsneden wordt door de dijkafrit, de Lange- en de Vierakkersestraat. In zijn bezwaarschrift aan de gemeenteraad zegt ons lid, de heer J.C. Berendsen, ervan: "De z.g. markt is destijds door een verkeerde plaatsing van een overigens zeer verdienstelijk stadhuisje in waterstaatsstijl alsmede door de uitmonding van de interlocale verkeersweg Lijmers—Looveer ter plaatse in de Vierakkersestraat, haar functie ontnomen en later met grote kosten opgerekt door afbraak van de Vierakkerstraat-bebouwing ter plaatse, maar de Markt blijft opengesplitst..."
    Ons 'id-rechtspersOns lid-rechtspersoon, de "Rabobank" , heeft in haar bezwaarschrift aan de raad de kwestie van de Markt — waaraan haar hoofdkantoor is gelegen - eveneens aangesneden. De Rabobank volstaat echter hiet met een bezwaar maar presenteert ook een eigen plan voor een Markt. Wij achten dat plan rond deze historische plaats in ons stadje interessant genoeg om het onder de aandacht van onze leden te brengen.
    In het bezwaarschrift schrijft de Rabobank: "De Markt is te klein gedacht om werkel ijk als ontmoetingsplaats te kunnen fungeren. Door de bebouwing aan de zuidzijde en de noordzijde op te schuiven in de richting van de Langestraat, en bij de Herv. kerk af te sluiten met een straat welke de Langestraat met de Langekerkstraat verbindt en een muur er/of groen, wordt een plein verkregen, dat de functie van ontmoetingsplaats en representatieve ruimte kan vervullen.
    Hiermede worden tevens de mogelijkheden tot bebouwing van het zuidelijke gedeelte van het huidige marktterrein aanmerkelijk verbeterd, evenals de mogelijkheden van bevoorrading van de panden aan de Vierakkerstraat.
    De Rabobank verwijst dan naar een bijgevoegde schets, zoals harerzijds de situering van de Markt en de verbinding met de Langekerkstraat is gedacht. "Uit de indiening van dit voorstel kan geconcludeerd worden, dat aan de realisatie van dit voorstel onzerzijds medewerking verleend zal worden", aldus de bank, die, zoals bekend, o.a. ook eigenaresse is van het gebouw van de Cremerstichting.
    Wij hebben de schets van de Rabobank geprojecteerd op een fragment van de stadsplattegrond, schaal 1 : 1000 en van verklarende aanduidingen voorzien. Het plan lijkt ons in elk geval het bestuderen alleszins waard.

    veemarkt12

    veemarkt22

    H.W.J.D. 

  • Dominicanenklooster en omgeving uit archeologisch gezichtspunt, uit Mededelingen , jrg 3, nr. 5 (1978) Open or Close

    Dominicanenklooster en omgeving uit archeologisch gezichtspunt
    door Th.H. Janssen

    Uit Mededelingen, jaargang 3, nummer 5 (1978)

    Een schriftelijke weergave van de resultaten van het onderzoek aan de Burchtgracht(straat) zal nog wel enige tijd op zich laten wachten in verband met de determinatie van het omvangrijke vondstenmateriaal .
    Globaal kan echter al wel schematisch een overzicht worden gegeven en wel als volgt:

    Aardewerk
    1. Kleefse periode (12e en 13e eeuw): Pingsdorfachtige tuitpotten, Andennewaar, Kogel potten, Paffrath, Dikwandige zwart/grijze waar en Kannen met geribbelde bandlip;
    2. Karolingisch: Badorferwaar (een enkel spoor) ;
    3. Merovingisch: Dubbelconische met stempelversiering (een enkel fragment) ;
    4. Romeins: waaronder terra-sigillata en dakpanresten (2e eeuw) ;
    5. Inheems: waaronder imitatie-romeins;
    6. Voorromeins : dik/ ruwwandige waar ( ijzertijd) .
    IJzer :

    Delen van gereedschappen, messen, spijkers en krammen.
    Been :

    Onder andere een hieruit vervaardigd handvat voor een mes.
    Hout :

    Een duig van een houten emmer met beslag en een hengselfragment, wijnvaten, spanendoos.
    Leder :
    Resten (ook enkele compleet) van schoenen en laarzen, delen van een kledingstuk of tas. Een stuk leer vertoonde sporen van beschildering.
    Glas:

    Een enkel stuk (voorwerp kon nog niet worden gedetermineerd) .
    Beenderen:

    Onder andere van runderen, varkens, schapen, geiten, klein wild en hoenders.
    Steen :

    Onder andere bouwpuin, zoals oersteen— en tufsteenblokken, veld— en basaltkeien.Overige:
    Spinstenen, slijpstenen, slingerkogels, mammoetkies, schalen van eieren, basten van noten, schelpen, koperslakken.
    Het jongste materiaal is uit het einde van de 13e eeuw.

    Burchtcomplex
    Na het opstellen van dit overzicht dacht ik al te mogen constateren, dat verschil lende gegevens niet los mogen worden gezien van reeds eerdere archeologische onderzoekingen in de directe omgeving.
    Deze omgeving betreft dan het terrein van het Dominicanenklooster en de onmiddellijk daaraan grenzende terreinen.
    Voor de nodige achtergrondkennis wil ik dan ook in deze bijdrage chronologisch de mij bekende gegevens op een rijtje zetten. Hierbij zal dan in deze bijdrage het voormalige burchtcomplex centraal staan, waaraan dan de gegevens ovar het Kempke, de Vierakkerstraat en de Burchtgracht (de straat van die naam) gekoppeld zullen worden.
    Het terrein, nu begrensd door de Kloosterlaan. de Stadsdam, de Burchtgracht en de Vierakkerstraat, besloeg in de 18e eeuw nog twee lage heuvels, welke van elkaar verschilden qua hoogte en oppervlakte. Dit terrein is in beeld gebracht op de kaart. De heuvel, welke aan de westzijde was gelegen en welke de hoogste, doch qua oppervlakte de kleinste was, werd de Hazenberg genoemd. Eertijds stond hierop een in 't stadsbeeld overheersende immens hoge, ronde tufstenen toren (de zgn. Grote Torn") met ringmuur (een chateau à motte) . We kunnen deze heuvel nu situeren ter plaatse van de tuin, welke is gelegen tussen de Kloosterkapel en het Hoofdkwartier van de Mbaga—verkennersgroep.
    De andere heuvel, aan de zuid—oostzijde, met name dat gedeelte van het terrein, waarop nu de kapel en het klooster staan, werd eertijds door een burchtcomplex in beslag genomen, hetwelk reeds in het begin van de 14e eeuw bestond uit een huis, een burcht en een toren met bijgebouwen, welke door een weermuur met torens waren omgeven. Beide heuvels waren eertijds door een achtvormige gracht omgeven en van elkaar gescheiden.
    Toegang tot het burchtcomplex kreeg men via de slotpoort. welke was gelegen ongeveer halfweg de afrit van de Stadsdam naar de hoòfdingang van het klooster. Heel waarschijnlijk bevond zich een andere toegang ter hoogte van de huidige dijkafrit naar de Kloosterlaan.
    Toegang tot de toren op de Hazenberg verkreeg men via een brug, welke, gerekend vanuit de Vierakkerstraat, over de gracht was gelegen aan de binnenzijde van de stadsmuur en heel waarschijnlijk ook vanaf het burchtcomplex via een loopgang over de verbindingsmuur, welke de toren op de Hazenberg met de burcht verbond.
    Zowel de burchtmuur als de burchtgracht waren in verbinding gebracht met respectievel ijk de stadsmuur en de stadsgracht. De burchtgracht had aan twee zijden een verbinding met de toen langs Huissen stromende Rijn of een arm daarvan (de huidige Molenkolk en de Strang) en wel in het zuidoosten rechtstreeks en in het noorden via de stadsgracht.
    Van het grachtencomplex rond de burcht en de toren moet alseerste dat gedeeite,dat de oostelijke zijde van de huidige Vierakkerstraat in beslag nam, in de 17de eeuw zijn gedempt ten behoeve van woningbouw in uit gebied. Aan het einde van de 16de eeuw was deze Vierakkerstraat nog maar aan één zijde (de westelijke) bebouwd met woningen.
    In de 18de eeuw is de scheidingsgracht tussen de beide heuvels gedempt met het puin van een hoge muur, welke over de Hazenberg liep en welke muur van schietgaten was voorzien.
    Het grachtgedeeite aan de zijde van de huidige Burchtgracht(straat) was toen reeds verworden tot een breed water , waarin riet groeide en waarvan nu alleen maar een restant in de vorm van een vijver in de kloostertuin is overgebleven.
    Momenteel is van de achtvormige gracht enkel nog een gedeelte aanwezig aan de oost- en westzijde van het terrein, nu Klooster— of Patersgracht genoemd. Vermoedel ijk is zelfs het grachtgedeelte aan de oostzijde in een later tijdvak gegraven, daar naar alle waarschijnlijkheid de Rijn, welke op enige afstand was gelegen, alszodanig dienst deed.
    Dat het terrein tussen de burcht en de Rijn (de Stadsdam en het weiland vóór de Motenkolk) een functie had, blijkt uit de 13de en 14de eeuwse scherven van aardewerk, welke in dit terrein op behoorl ijke diepte werden aangetroffen.

    Van burcht tot klooster
    Bezien we momenteel het voormalige burchtterrein aandachtig dan kunnen we uit de in het terrein nog aanwezige inzinkingen het vroegere grachtverloop reconstrueren.
    Op het einde van de 18de eeuw bevonden de restanten van de burcht zich in een dusdanig vervallen toestand, dat nog slechts een gedeelte voor schuur kon worden gebruikt. In 1809 werd deze ruïne als domeingoed van de Pruisische Kroon verkocht aan de Huissense notabele H.S. van Lottum.
    Zeven jaar later werd mr. C.G.Th. van Erpers Roijaards, ontvanger der belastingen te Huissen en zoon van de laatste Pruisische ambtsman Gisbert Roijaards, eigenaar.
    Hij was toen reeds in het bezit van de hof, die noord—westelijk van de voormalige burcht was gelegen, de reeds eerder genoemde Hazenberg.
    Mr. van Erpers Roijaards liet de !aatste overblijfselen van de burcht slechten en bouwde een "fraai Herenhuis" , dat in de volksrnond reeds spoedig de naam "het Kasteel" verwierf . De Hazenberg liet hij met fruitbomen beplanten, welke situatie tot 1950 bleef gehandhaafd.
    In 1856 namen de Dominicanen dit geheel in eigendom over van J. J. Fabricius, die sedert 1832 eigenaar was geworden. In 1858 werd de eerste steen gelegd voor een verbouwing en uitbreiding van het herenhuis tot klooster, gevolgd door de bouw van een kloosterkapel, alles naar de plannen van de jonge Roermondse architect P. Cuypers.
    In vijftig jaar was "het Kasteel" in een, klooster veranderd, waarbij er echter voor een aandachtige toeschouwer nog diverse sporen uit het (burcht-)verleden zichtbaar zijn gebleven.

    Afgraving
    Bij de archeologen is het gehele terrein eerst vanaf 1950 in de belangstelling gekomen. In dit verband moet de naam van pater v.d. Assum o.p. worden genoemd die in dat jaar de eerste stoot gaf tot een onderzoek. In 1951 werd, onder leiding van drs.J.E. Bogaers hei terrein aan de zuid-westzijde onderzocht. Het betrof hier niet de "Denenheuvel" , zoals deze in de verslagen van die tijd werd genoemd, doch de Hazenberg, zijnde de heuvel in het zuidwestelijke deel van de kloostertuin.(1)
    De afgraving van deze heuvel werd door drs. Bogaers in een logboek vastgelegd en na beëindiging van de opgraving leverde dit het volgende samenvattende beeld op:
    Boven de schone grond (oeverwal) bevonden zich twee begroeiingslaagjes (lichtblauwe-grijze klei) . Deze laagjes waren in verschillende perioden ontstaan. De tussenlaag was naar alle waarschijnlijkheid een aanslibbing door de Rijn.
    Op de bovenste begroeiingslaag bevond zich een pakket opgebrachte zavelige klei, die aan de onderzijde overwegend romeinse cultuurresten uit de 1ste tot en met de 4de eeuw bevatte.
    De bovenzijde van dit pakket bevatte fragmenten van Badorfer-, Pingsdorfer— (vroeg)— en Kogelpottenwaar. Deze laag bevond zich over het gehele terrein, doch men heeft niet kunnen vaststellen tot hoever deze liep.
    Deze opgebrachte grond komt heel waarschijnlijk van een gedeeltelijk afgegraven hoogte (mogelijk de oorspronkelijke romeinse nederzetting) ; wellicht het terrein, waarop nu het klooster staat.

    De torenbouw
    De op deze grond gevormde looplaag werd indertijd als werkvloer gebruikt bij de bouw' van de eerder genoemde middeleeuwse toren. Voor de bouw van deze toren heeft men namelijk geen funderingssleuf gegraven, doch men heeft vanaf de grond (het toenmalige maaiveld) gebouwd, eerst in tufsteen de kelderverdieping tevens fundering.
    Tegelijk met het bouwen van de torenmuur heeft men een zodenwal gestapeld, namelijk één voor de ringmuur, welke de toren omgaf en één aan de binnenzijde. Ook in de toren heeft men zoden gebruikt om het niveau op te hogen.
    Door middel van de zoden en de klei is de berg langzamerhand opgehoogd, waardoor het onderste gedeelte van ringmuur en toren als fundering onder de grond kwamen te zitten. Tussen de zoden van de wal bevond zich veel blauwe klei.
    De klei uit de laatste ophoging is heel waarschijnlijk afkomstig uit de gegraven rondgracht. Aangezien de grond uit de gegraven gracht zeer waarschijnlijk ook de eerstgenoemde opgehoogde zavelige klei zal hebben bevat (die te zien was boven de begroeiingslaagjes) is deze grond, die tegen de toren werd opgeworpen, secundair verwerkt.
    In een tijdsbeeld kunnen de werkzaamheden als volgt worden weergegeven:
    1. Ophoging van het terrein. Dit is geschied in de tijd van de kogelpotten—, vroege Pingsdorfer— en Badorferwaar, d.w.z. tot de 10de eeuw.
    2. In de tijd daarna moet de toren zijn gebouwd.
    3. Heuvel opgehoogd met zoden en zavelige klei.
    4. Heuvel voor de tweede maal opgehoogd en uitgebreid met een zodenpakket.
    5. Daaromheen is de gracht gegraven.
    6. De toren is afgebroken in de tijd van de vondsten, die zijn aangetroffen in de vullingen van de uitgebroken torenfundering.
    Bij verder onderzoek is komen vast te staan, dat indertijd een laag met romeins materiaal is neergeworpen en dat tijdens de bewoning de bovenste en laatste scherven in de laag zijn gekomen.
    Deze scherven waren, zoals genoemd, van het zgn. Badorfer—, Reliëfband-, Pingsdorfer— en Kogelpottenaardewerk, tot de 9de en 10de eeuw kan worden gedateerd.

    Grondmonsters
    Onder de toren werd een waterput aangetroffen, bestaande uit een uitgeholde eik, waarop de schors nog aanwezig was. Vooraf waren eerst vier eikenhouten palen ont&kt in de grond, waarbinnen op een iets lager niveau de put aanwezig was. De rechtop staande palen zijn vermoedelijk met planken verbonden geweest.
    Mogelijk wijst dit op een soort beschoeiing bij de aanleg van de put. In de bovenrand van de put bevonden zich 4 inkepingen, welke mogelijk hebben gediend om er een volgend putgedeelte op te bevestigen. Uit de begroeiingslaagjes op het diepste niveau zijn enige grondmonsters genomen, welke gedeeltelijk brandsporen vertoonden en scherven van Inheems—Bataafs aardewerk.
    Van een bewoning in die tijd getuigen ook verschillende spinschijfjes, een gekartelde potrand en gegolfde gestreepte vaatwerkornamentiek en scherven met nagelindrukken.
    De grondmonsters werden door drs. Bogaers voor een macroscopisch onderzoek aan prof. F. Florschutz te Velp gezonden.
    Het rapport naar aanleiding van dat onderzoek gaf de volgende gegevens weer:
    - kleine stukjes verkoold hout;
    - verkoolde graankorrels;
    - zaden van Urtica urens;
    - zaden van Sambucus nigra;
    - zaden van Chenopodiadeae.
    De zaden van Urtica wrens (kleine brandnetel) en de zaadjes van Chenopodiae (ganzevoetachtigen) zijn een aanwijzing voor menselijke bewoning. Misschien kan hetzelfde ook gezegd worden van de Sambucus nigra (vlier) .
    Van de stukjes houtskool was de boomsoort, waarvan zij afkomstig waren, niet meer te bepalen. Onder de verkoolde graankorrels werden gerstekorrels herkend.

    Romeins materiaal
    Bij deze afgraving kwam ook, zoals opgemerkt, een grote hoeveelheid romeins materiaal aan het licht zoals aardewerkfragmenten en delen van tegels en dakpannen. Er zijn. dakpannen met stempels van het Xe en XXXe legioen. Dergelijke stempels wijzen op een romeinse militaire nederzetting.
    Verschillende voorwerpen in terra-sigillata kunnen tijd en aard van de nederzetting illustreren.
    Het materiaal loopt vanaf ca. 70 na Chr. tot de 4de eeu.•,'. Tevens is bij dit onderzoek nog een dakpanfragment gevonden met een stempel : LEG(IO) XXX V(LPIA) V(ICTRIX)P(IAE) hetwelk dateerbaar is na 196 en dat uniek is voor ons land. Dit fragment is indertijd door pater (toen prior) E. Rodenburg o. p. aan mijn zorg toevertrouwd.
    Al het materiaal is destijds door de Rijksdienst voor het Oudheidkundig Bodemonderzoek te Amersfoort in 10 dozen verpakt, waarna deze op 29 januari 1963 zijn overgebracht naar het Gemeentemuseum te Arnhem en daar zijn toevertrouwd aan de hoede van mej. drs. Waardenburg.

    Latere vondsten
    Onlangs is nog een stukje typerende merovingische ambachtskunst gevonden, namelijk een sierspeld (vogelfibula). Volgens mededeling van de heer J. Ypey van het ROB, onder wiens hoede de vondst is gereinigd, kan de fibula naar alle waarschijnlijkheid in de tweede helft van de 5de eeuw worden gedateerd.
    Zij wordt gerekend tot de 3de hoofdgroep zoals deze is vermeld in "Die Chronologie der Vogelfibeln (Kerbschnittfibeln)" van G. Thiry, pg. 73—84, in het bijzonder Taf. 19 nrs.48—72.
    Tevens werden nog aangetroffen een fragment van een versierde glazen armband uit de Latène—cultuur (tot de 1ste eeuw na Chr.) en een fragment met versiering van een Saksisch bulturntje.
    In de zestiger jaren heb ik, voorzover dit mogelijk was, de andere heuvel , waarop thans de kapel en het klooster staan, onderzocht. Tijdens verbouwingswerkzaamheden in het klooster werden aan de binnenzijde tegen de voorgevel van het middengedeelte (het Oudste gedeelte) sleuven gegraven tot een diepte van 60 cm.
    In deze grond kwamen veel scherven voor van het aardewerk en steengoed (kannen) , welke gedurende de 14de en de 15de eeuw in Siegburg (Rijnland) werden vervaardigd. De sleuven gaven ook veel puinmateriaal vrij, zoals kloostermoppen (bakstenen), formaat 27 x 14 x 6 cm, tufsteenblokken en kennelijk in specie gevatte veldkeien.
    Onder de kloostermoppen waren exemplaren, welke door een groene glazuurlaag waren omgeven. Verder werden ook fragmenten van zwart en blauwgrijs aardewerk (schalen en voorraadpotten) aangetroffen, dateerbaar in de 13de en 14de eeuw, wellicht ook nog 12de eeuw.

    Kelders
    Volgens een broeder van het klooster was een gedeelte van deze grond afkomstig van een in de jaren dertig uitgevoerde ingraving voor een nieuwe toegang tot een onder de keuken van het klooster gelegen kelder. Het heeft er alle schijn van, dat deze kelder van een oudere datum is dan het klooster. Deze broeder wist zich nog te herinneren, dat op dit punt, op een diepte van 2.50 tot 3.00 meter diverse kannetjes waren gevonden. Tevens was men ook op een oud muurwerk gestoten, hetwelk was opgebouwd uit veldkeien.
    Bij graafwerkzaamheden in de noordoostelijke zijde van het voorgebouw  van het klooster werd een kelder ontdekt, die onder de kloostergang doorliep. Ook hier wijst er alles op, dat deze kelder ouder is dan het klooster. Beide kelders hebben buiten het zgn. Kasteel (het herenhuis) gelegen, het huidige middenstuk van het klooster. De laatste kelder vertoont een typisch gewelf. Het loopt aan zijde naar beneden door en het doet denken aan een verbinding met een ander gangdeel.
    De kelder is met puin en ander materiaal gevuld. Dicht bij deze plaats, bij de achteruitgang en wel aan de buitenzijde, werd in de bodem een muurwerk van kloostermoppen aangetroffen, dat eveneens van een vroegere bouw afkomstig moet zijn.
    De tuin, direct v56r de ingang van het klooster, werd tot een diepte van 60 cm. uitgegraven voor een aan te leggen parkeerterrein. Deze laag gaf het zelfde schervenmateriaal vrij als in het klooster, doch met dit verschil, dat deze laag in noordoostelijke richting dunner werd en waarbij een oudere laag aan de oppervlakte kwam.
    Verspreid over het terrein werd hier en daar op de diepst ingegraven plaatsen een enkel stuk romeins, merovingisch,alsmede enkele Pingsdorfscherven en een haakoor van een Paffrath-pot aangetroffen.

    Schacht
    Aan de buitenzi jde van deze ingraving werd een breed muurwerk van kloostermoppen waargenomen , dat schuin in noordelijke richting naar het einde van de voorgevel liep. Tussen dit muurwerk en de voorgevel van het klooster werd op 60 cm. diepte een enige decimeters dikke, oude specielaag aangetroffen.
    In het zuidoostelijke deel van de voortuin bevindt zich nog een waterput of kelder. Op enige meters afstand van de hoofdingang kon een 15de eeuwse schervenkuil worden uitgegraven.
    Op enige meters afstand van de noordoostelijke zijgevel van het voorgebouw van het klooster bevindt zich, volgens zeggen, een uit kloostermoppen gevormde ronde schacht in de grond.
    Deze schacht (mogel ijk het keldergedeelte van één der torens van de toegangspoort tot het slot, is in de jaren dertig reeds bekend geworden. Voor een deel stond hij onder water.
    Het schijnt de toegang te zijn naar een gangdeel, dat schuin in de diepte wegloopt. Deze schacht werd enige jaren geleden bij een ingrijpende wijziging in het tuinbeeld rond het klooster uit veiligheidsoverwegingen met een betonplaat afgedekt.
    Voor een voorlopig inzicht in een mogelijke reconstructie van het burchtcomplex heb ik een aantal muurrestanten in zwarte vlakken Op de kaart aangegeven.

    NOOT:
    1) De oorzaak van dit verschil van mening is nafnelijk terug te voeren op een aantekening, vermeld op een kaart, waarop in vogelvlucht de Hazenberg met toren en ringmuur is geschetst.
    In het zgn. Huissense Legerboek (Rijksarchief in Gelderland te Arnhem) is een kaart opgenomen van de 16e eeuwse situatie van het beschreven gebied. Tussen het net nog aangegeven gedeelte van het burchtcomplex en de Hazenberg met toren is een aantekening geschreven:
    "Diese Danenburgh ist 1616 affgebrochen un die Duyffstein verkocht. Et sic cessat Antiquitatis Danorurn" .
    Tot op heden is het voor mij nog niet zeker, dat deze aantekening betrekking heeft op de zogenaamde "Grote Torn" , welke op de Hazenberg was gebouwd.
    De omstandigheid, dat de naam "Danenburgh" dichter bij het net nog zichtbare gedeelte van het burchtcomplex is vermeld aismede de in de grond van de burchtheuvel aangetroffen veldkeien, welke in mortel waren gevat, alsook de tufsteenblokken, versterken mij in die mening.
    Daarbij komen ook nog de fragmenten van aardewerk tot en met de: 10de eeuw, welke op het terrein zijn aangetroffen en welke een bewoning en een daarmede in verband staande bebouwing veronderstellen.
    In een volgend nummer van "Mededelingen" hoop ik hier uitvoerig op terug te komen.


    Huissense vondsten op expositie in Arnhem
    Van 25 maart tot en met 7 mei 1978 zal in het Gemeentemuseum te Arnhem een tentoonstelling gehouden worden van het werk der A.W.N. in Gelderland.
    De Archeologische Werkgemeenschap Nederland telt in onze provincie verschillende afdelingen en afzorderlijk werkende leden. Aan hun werk zal op de tentoonstelling veel aandacht worden besteed.
    De vondsten dienen daarbij vooral ter illustratie van de activiteiten zelf. Het gaat er in de eerste plaats om een beeld te geven van de verschillende onderzoekingen, die door deze amateur-archeologen worden verricht. Er zal aandacht worden geschonken aan de omstandigheden, waaronder het onderzoek moet plaats vinden, aan bepaalde vondstsituaties en aan soms vreemde en zelfs gevaarlijke bijkomstigheden. De een loopt regelmatig rioolsleuven langs om iets te kunnen ontdekken, een ander gaat ergens kijken wanneer het geregend heeft, weer een ander tracht alles wat in de loop der tijd in zijn woongebied is opgegraven te inventariseren en verricht daarbij aanvullend onderzoek.
    Verschillende objecten komen op de tentoonstelling aan bod: een overzicht van neolitische vondsten in Aalten en omgeving, de veldcontrole van een paleolitische vindplaats in de Achterhoek, een onderzoek van een huis in Lochem, een stadskerncontrole in Arnhem, een pottenbakkersoven uit de IJzertijd uit Bemmel, de blootlegging van kapelrestanten in Oud—Lobith, een verdwenen dorp bij Renkum, een IJzertijdhuis uit Bennekom, een vindplaats met sporen uit diverse tijdperken in Emst, het verleden van Hattem, een inventarisatie van grafheuvels bij Ermelo e.d. , en last but not least het stadskernonderzoek in Huissen aan de Burchtgracht.
    Over dit laatste object bent U al uitvoerig ingelicht door de artikelen van de heer Th.H.Janssen, de sectieleider archeologie van de Historische Kring Huessen. Op de tentoonstelling zal voor het eerst iets van de resultaten van dit onderzoek te zien zijn. Wij hopen dan ook dat vele leden van de Historische Kring de expositie in ons museum zullen bezoeken.
    Ruud Bornman, afd.arch.en topografie

    klooster1 Custom

    klooster2 Custom

  • De slag bij Angeroyen , uit Mededelingen jrg 3, nr 1 (1977) Open or Close


    De slag bij Angeroyen

    uit Mededelingen jrg 3, nr 1 (1977)

    Terwijl Jaarlijks — op Huissens gebied — het felt wordt herdacht, dat in 1502 de Gelderse belegering van de stad Huissen een fiasco uitliep, is mij steeds niet helemaal duidelijk geworden, waar en hoe Karel van Gelre verslagen werd. Uit de bronnen is wel algemeen duidelijk geworden, dat niet de belegeraars werden verdreven, maar dat een aanval op een Kleefs ontzettingsleger "aen die Angelroise gemeinte" tot het overhaaste vertrek van de Geldersen leidde.(1) In het volgende verhaal wil ik proberen de plaats te bepalen, waar 's hertogen nederlaag zich voltrokken te beschrijven, hoe deze gebeurtenis verliep.

    I. Plaatsbepalinq.
    Het verhaal van de slag bevat drie duidelijke plaatsaanduidingen, namelijk de plaats, waar het Gelderse leger de IJssel overstak (Iseloort) , de plaats, waar de Kleefsen lagen (Pottingshuys) , en de plaats, waar de slag werd geleverd (Die Angelroise gemeinte) .
    Omdat duidelijk is, dat de slag "aver" (aan de overkant), in de Lymers dus, plaatsvond, is het voor de hand liggend bij het zoeken naar de benamingen onze overburen te raadplegen.
    Die Angelroise gemeinte of juister de Angeroyense gemeente ontleent volgens de Lymerse historicus A.G. van Dalen haar naam aan de waard Angeroyen. Letterlijk betekent dit Angers eiland. Angeroyen was een waard, die in de twaalfde eeuw of eerder voor Angeren in de Rijn ontstond en waaronder een groot gebied viel , dat destijds nog op de Betuwse oever lag.
    Hiertoe behoorde ook het huidige Loo. Angeroyen en Loo vormden samen één buurgemeenschap. Deze gemeenschap moet in de dertiende eeuw door rivierverlegging op de Lymerse kant terecht zijn gekomen.
    Het eigenlijke Angeroyen verdween in de Rijn, maar wat bleef was de benaming voor de gemeenschappelijke weiden, de uiterwaarden: "Angeroyensche ader Lohesche gemeinte". (3) Kortom, wat ons verslag "die Angelroise gemeinte" noemt, zijn de uiterwaarden ten zuiden van Loo.
    Iseloort of, zoals het nu heet, IJsseloord, is de enige nog bestaande benaming. (4) Bij IJsseloord lag destijds de splitsing van Rijn en IJssel, welke door natuurlijke omstandigheden zó was, dat de Rijn eerder een aftakking leek dan de IJssel. (5)
    Pas in de jaren 1773—1775 kwam door het graven van een kanaal door de Pley een nieuw aftakkingspunt. (6) .Het IJsseloord van 1502 moeten wij ook iets zuidelijker denken dan de (latere) schans IJsseloord, namelijk precies bij de splitsing, noordwest van de Pley.(7)
    Angeroyen2
    Pottingshuys levert, waar dit kennelijk een naar de bewoners genoemd woonhuis is, de meeste problemen op. Toch is ook hier uitsluitsel te geven. Aangezien het verslag van 1502 de benaming zonder verdere mededeling geeft, moet het een huis zijn geweest, dat al min of meer vast een historisch gegeven was geworden, zoals we in Huissen namen als Giebensland en Schalkshofstede kennen.
    Op de ambtskaart van de Lymers (8) (fol. 31), waarop de Huslarij en het Leuffense Veld staan weergegeven, komt het huis voor van Micharis Püttinck.
    De naam Micharis Potting/Pötting komt — als dijkbode — in de Lymerse archieven meermalen voor. Ook al is de ambtskaart van 1735, het is zeer waarschijnlijk, dat dit het Pottingshuis van 1502 is.
    Het huis ligt niet ver van de Rijn, van Groessen. Tegenwoordig is in het landschap er niets meer van te kennen. (9)
    Met dat al zijn — plaatskundig — onze problemen opgelost. Karel van Gelre kwam uit het westen bij IJsseloord de IJssel over. De Kleefsen lagen ten zuiden van Groessen en men trof elkaar logischerwijze daar tussen bij Angeroyen of, zo men wil, ten zuiden van Loo.

    II. De slag.
    In de nacht van 25 op 26 Juni 1502 stak een Gelders leger order aanvoering van Karel van Gelre zelf bij IJsseloord de IJssel over. Dat was dringend nodig, want vanuit het oosten was een Kleefs leger in aantocht om de stad Huissen, die sedert 29 mei werd belegerd, te komen ontzetten.
    De Klevenaren waren per schip gekomen, dat zeggen de bronnen, zowel de Duisburgse kroniek van Johan Wassenberch (10) als de Geldersche Geschiedenissen van Arend van Slichtenhorst (1l) .
    Waarom het ontzettingsleger niet in de Betuwe, .maar in de Lymers landde, is niet duidelijk geworden. Een feit is in elk geval, dat het Kleefse leger bij Pottingshuys ten zuiden van Groessen lag.
    De Kleefsen wachtten het Gelderse legers dat volgens één bron 1500 man teide, (12) niet zonder meer af, maar legden - kennelijk in de Angeroyense waard — een hinderlaag. Het Emmerikse deel van het leger stelde zich op waardoor de Geldersen een gemakkelijke overwinning dachten te halen.
    Maar toen kwamen Wezelse en Reese troepen met 700 ruiters onder Rabanus van Buren in de strijd. (13) De eersten hadden een kanon meegebracht, de Bonte Koe (14) , kennelijk het stuk geschut, dat in het Huisgense verslag "een kartouwe" (15) heet.
    Daarmee schoten zij op de Geldersen. Dat leverde een groot aantal doden op hoewel men zich van de uitwerking van een zestiende-eeuws kanon niet teveel moet voorstellen. Belangrijk was vooral de paniek, waardoor in het nu volgende man op man gevecht de Kleefsen voordeel hadden.
    In de paniekerige vlucht van de Geldersen viel Karel van Gelre in handen van Emmerikse soldaten. Een Moor, die bij het Gelderse hof hoorde, hielp de hertog echter over de Rijn te ontsnappen.(16)
    Wel brachten de Emmerikse strijders het paard van de hertog in triomf naar hun stad. (17)
    Minder fortuinlijk dan de hertog waren vele van zijn ondergeschikten.  

    Angeroyen1

    DE SLAG BIJ ANGEROYEN
    Enkele werden door de Kleefsen gevangen Het Huissens verslag spreekt over 300 (18) , het lied op beleg en ontzet van 500 (19) .
    Geen cijfers zijn bekend over het antal doden. Een eigentijdse Kleefse bron spreekt over 200 doden, die bij het beleg van Huissen en de slag bij Angeroyen tesamen zouden zijn omgekomen.(20)
    En gaat dat natuurlijk maar over één kant, de Kleefse overwinnaars.

    III.De gevolgen.
    De Gelderse troepens die de stad Huissen ingesloten hlelden, hadden van over de rivier de slag kunnen volgen. Toen zij zagen, dat het Gelderse leger bij Angeroyen op de vlucht ging, wachtten zij niet een Kleefse aanval af, maar verlieten in paniek hun posities.
    Zelfs namen zij niet de tijd om hun geschut en voorraden in veiligheid te brengen. De Klevenaren hadden aldus een makkelijke en rijke buit. De opsomming loopt in twee verslagen nogal uiteen.
    Feit is in elk geval, dat minstens zes en misschien zelfs acht stukken geschut verloren gingen voor hertog Karel van Gelre, die toch al zo'n moeite had om zijn artillerie te betalen.
    Ook lichte wapens, buskruit en proviand worden ais buit opgesomd. (21)
    Na het ontzet van Huissen konden de Kleefsen naar hartelust in het offensief gaan.
    Nog in hetzelfde jaar veroverden zij het slot Keppel , wonnen een slag aldaar en trokken plunderend door de Over-Betuwe.
    Bij Elden leverden Geldersen en Kleefsen vervolgens weer een slag, die voor de laatsten een nog groter succes werd dan die bij Angeroyen.(22)
    Na dat alles zai Karel van Gelre zijn aanval op Huissen wel hebben betreurd.

    DR E. SMIT

    NOTEN
    1. J. H. Hofman, Beleg en ontzet der stad Huissen. In: Bijdragen en Mededelingen van "Gelre" (1899), pg. 325-326.
    2. A.G. van Dalen, Angeren of Angeroyen/Lensenb1-rg. Zevenaar, 1968,
    3. A.G. van Dalen, Uit de Kerkgeschiedenis van Loo. Zevenaar, z. j.
    4. Topografische Kaart van het Koninkrijk der Nederlanden, blad no. 40 West Arnhem.
    5. Rijksarchief in Gelderland — Algemene Kaartenverzameling no. 129.
    6. G.P. van der Ven, Aan de wieg van Rijkswaterstaat, Zutphen 1976, pg. 358-360.
    7. J.W. van Petersen, Des landmeters trots, Zutphen 1974, Kaart 10.
    8. Gemeentearchief van Zevenaar - Oud Archief 1243.
    9. Vriendelijke mededeling van de heer J. Th. M. Giesen te Zevenaar.
    10.. H. van 't Hooft, Honderd jaar Geldersche Geschiedenis in historieliederen,Arnhem 1948, pg. 68.
    11. A. van Slichtenhorst, Veertien der Geldersche Geschiedenissen, Arnhem 1654, pg. 316.
    12. B. H. van 't Hooft, a. w. , pg. 76.
    13. W. Teschenmacher, Annales Cliviae,JuIiae etc. ,Frankfort/Leipzig 1721, pg. 322.
    14. B.H. van 't Hooft,a.w.pg.6B.
    15. J.H. Hofman, a.w., pg. 326.
    16. W. Teschenmachers a.w. , pg. 322.
    17. B.H. van 't Hooft, a.w. ,pg.69.
    18 .0.H.Hofman, a.w. , pg.326.
    19. B. H. van 't Hooft, a.w., pg. 76.
    20. Hauptstaatsarchiv Düsseldorf — Kleve, Mark, Akten no.392,' fol. 2b.
    21. J. H. Hofman,a.w. pg. 326 en B. H. van 't Hooft, a.w. , pg. 76.
    22. W. Teschenmacher, a.w. pg. 323.

  • Holthuizen: een voormalig Kleefs leen (uit Mededelingen, jrg 2, nr. 5) Open or Close

    Holthuizen: een voormalig Kleefs leen
    uit Mededelingen, jaargang 2, nummer 5

    ln de "ambtelijke werkgroep straatnaamgeving", waarin - op uitnodiging van B. en W. - ook de Historische Kring Huessen is vertegenwoordigd, is thans aan de orde de straatnaamgeving in de 3e fase van De Zilverkamp, welke wijk van de zijde van Gemeentewerken "Groot Holthuyzen" wordt genoemd.
    Er is hier echter sprake van het voormalige Kleefse leengoed "Holthuizen", waar - in latere tijden - stonden de boerderijen Groot Holthuizen (Hoogerbrugge) en Klein Holthuizen (Van Essen) , beide eigendom van de Dullertstichting te Arnhem. De laatstgenoemde boerderij is gesloopt ten behoeve van de Zilverkamp-bebouwing.
    De Historische Kring heeft in de genoemde ambtelijke werkgroep gesuggereerd om ten aanzien van Holthuizen af te wijken van het tot nu toe in de Zilverkamp toegepaste straatnamenpatroon en er voor gepleit om allereerst de herinnering aan de naam van het leengoed levendig te houden, maar ook die der families, die het - vanaf 1392 tot 1799 - in leen hadden.
    Bestuurslid dr. E. Smit geeft in de hiernavolgende bijdrage historische bijzonderheden over de beleningen van Holthulzen.
    Hij verschaft tevens interessante bijzonderheden over het drama, dat zich in januari 1795 op Holthuizen afspeelde en dat boer Derk Brands het leven kostte.
    Wij maakten daarvan reeds melding in een "snipper" in het vorige nummer (pag. 128).

    De naam HOLTHUIZEN wijst volgs Oedin (1) op een aldaar gelegen klein bos. Met de aanwezigheid van de naam "Loo" ( = open plek in een bos) in de buurt is het wel verleidelijk bij het Huissense Holthuizen aan een oud bos te denken. Er zijn echter nog andere mogelijkheden. De Middelnederlandse benaming Holthuus of Houthuus kan ook eenvoudig houtsçhuur betekenen (2).
    Bij ons Holthuizen is er nog een derde mogelijkheid.  Bij de eerste vermelding in 1392 wee namelijk een Arnd van Holthusen met het goed beleend.
    Dezelfde Arnd van Holthusen was ook leenman van Holthuizen bij Verkält (tussen Kalkar en Üdem (3)), zodat de mogelijkheid niet uitgesloten moet worden, dat het ene Holthuizen zijn naam aan het andere ontleend heeft. (4)
    Waar we dus niet zeker zijn van de herkomst van de naam biedt Holthuizen wel een mogelijkheid om alle beleningen van 1392 - 1799 na te gaan. (5)
    Het goed was namelijk een Kleefs leen. Deze vorm van gronduitgave hield in, dat de graaf van Kleef aan een man een stuk grond in leen gaf, waarvoor deze dan bij oorlog tot dienst verplicht was.
    Deze plicht werd evenwel meestal afgekocht, zodat het, ieengoed een soort eigendom werd, dat extra belast was. Een leen kon aldus ook vererven of verkocht worden.
    ln 1392 was, zoals gezegd, Arnd van Holthusen leenman van Holthuizen. In 1443 blijkt hij overleden en zijn zwager Gerit van Marwick neemt het leen (althans een derde deel ervan ) ten behoeve van zijn
    vrouw Johanna (van Holthusen) over. Aldus vererfde het goed in 1474 op hun beider zoon Arndt van Merwick. Bij zijn dood in 1495 was er alleen dochter Johanna van Marwick, voor wie haar oom Derick van der Hoeven als leenman fungeerde.
    Tusschen 1495 en 1535 zijn we de familieband (als die er is) even kwijt. De weduwe van een zekere Derick van Elss blijkt dan namelijk op Holthuizen te wonen. Haar zoon Arndt nam in 1551 het goed over, maar hij had er niet lang plezier van, want zeven jaar later blijkt ook hij overleden, want het goed blijkt vererfd op zijn zuster Elisabeth en op de kinderen van een andere zuster, Anna, gehuwd met Gaert van Gelickom. Door deze erfenis blijkt een deel van Holthuizen bij Anna's nakomelingen (Van Gelickom) , een ander deel bij die van Elisabeth (Van Merten) terecht te komen. De hof lijkt nu voorgoed gesplitst en alleen over het part van de Van Merten's (een derde deel) zijn we verder volledig ingelicht. Arndt van Merten zit van 1596 - 1647 op dit deel van Holthuizen. Zijn zoon Eberhardt Godtfriedt volgt van 1647 - 1672. In 1673 waren ook de Van Merten's uitgestorven en volgde Bernhard Gottfried van Reetradt als bezitter. Deze familie liet de hof al in 1682 over aan een (aangetrouwd) familielid Wilhelm Bernier. Van hem vererfde Holthuizen in 1710 aan zijn dochter Christine Elisabeth, getrouwd met Derk Brandts. De familie Brands bleef tot het einde toe met Holthuizen beleend. ln 1803 werden de leenrechten opgeheven, zodat geen verdere administratie plaatsvond.

    Het drama van 1795
    Een drama beleefde Holthuizen in 1795. De Fransen waren in dat jaar namelijk in opmars en op 10 januari waren zij de Waal overgestaken. De troepen die (voor Pruisen) Huissen verdedigden, waren Kroatische militairen van Pruisen's bondgenoot, de keizer van Duitsland. Op de komst van de Fransen sloegen dezen aan het plunderen en van wat op Groot Holthuizen gebeurde volgen hier de gruwelijke details. Vijf Kroaten', in grijze uniformen, waren al overdag op 10 januari bij Holthuizen gesignaleerd en dat de knechten van boer Derk Brands het hazenpad hadden gekozen, toen het donker werd, is te begrijpen.Rond 10 uur 's avonds drongen de vijf bij de broers Derk en Peter Brands op Groot Holthuizen binnen en eisten geld en horloges.
    Met name aan de laatste wens konden de broers niet voldoen. Ze hadden er zelf geen.Toen begonnen de soldaten met hun degens te slaan. Derk Brande hield zijn hand nog geheven tot verweer, maar een Kroaat sloeg hem hand en hoofd in één hauw af. Peter lag intussen al met een forse sabelhauw over zijn gezicht op de vloer en moest machteloos toezien. Dat hij er tenslotte het leven bij overhield, lag aan de uitstekende geneeswijze van de Huissense chirurgijn Budding.
    De daders gingen - met een buit van meer dan 500 gulden - vrijuit, al deed de Pruisische overheid nog maanden later moeite hen te achterhalen. (6)
    Aldus enkele feiten uit Holthuizen's rijke historie.
    DR. E. SMIT
    Noten:
    1) S. Oedin, De Gemeente Huissen, Diss. Wageningen 1946, pg. 19.
    2) J. Verdam, Middelnederlandsch Handwoordenboek, 's Gravenhage 1932, pg. 259.
    3) Topographischer Atlas Nordrhein-Westfalen, Düsseldorf 1968, kaart 88. '
    4) E. Dösseler en F.W. Oediger, Die Lehnregister des Herzogtums Kleve, Siegburg 1974, pg. 269.
    5) E. Dösseler en F.W. Oediger, a.w., pg. 272-273. Waar dit niet nader gemeld wordt, zijn alle volgende gegevens aan dit boek ontieend.
    6) Hauptstaatsarchiv Düsseldorf - Kleve Mark Akten X-18-Vlll.

  • Achter de Gracht of Duisterestraat ? (Uit Medelingen jrg. 2 nr. 5) Open or Close

    Achter de Gracht of Duisterestraat ? (Uit Medelingen jrg. 2 nr. 5)

    B. en W. vroegen Historische Kring om advies:

    Achter de Gracht of Duisterestraat?
    (Men zie de illustraties op pag. 110 en 136)
    Sinds enkele jaren draagt het weggetje tussen Helmichstraat (hoek Warenhuis Janssen) en Stadswal (langs Hubertsland) officieel de naam: DUISTERESTRAAT, ofschoon het weggetje in de volksmond altijd als ACHTER DE GRACHT bekend is geweest. Nu het pad een nieuw wegdek heeft gekregen en over de juistheid van de straatnaarngeving verschil van mening bestaat, wil het gemeentebestuur wel eens weten wat
    nu juist of onjuist is. B. en W. hebben de Historische Kring Huessen
    om zijn advies gevraagd. Het bestuur heeft het volgende medegedeeld c.q. geadviseerd. (Voor de verwijzing naar de cijfers zie men het fragment van de kaart van 1586 op pag. 110).

    Duisterestraat
    ". . . De naam Duisterestraat - die overigens ook in andere Betuwse plaatsen voorkomt - wijst op grote ouderdom. Oedin merkt op, dat de duistere straten steeds in verband staan met een "loo". Zo leidt - hem
    citerend - de Duisterestraat in Doornenburg naar de Loohof. De Huissense Duisterestraat is het verlengde van de Loostraat; wellicht een oud heiligdom in het oorspronkelijke gebied Upt Loo '? (Oedins veronderstelling, dat het einde van het Duisterestraatje in Huissen nog een markant plekje is omdat er nog een Mariabeeld staat, is echter volkomen onjuist, aangezien de plaatsing van het (eerste) Mariabeeld pas uit 1936/37 dateert, na de ontsluiting van het plan-Johannahoeve) .
    Het Duisterestraatje vindt men als "Dat duystere straitgen" (nr. 5) " tweemaal aangegeven op een tiendenkaart uit 1586. Zoals uit de kaart blijkt, vormde de Duisterestraat - (tot aan de bebouwing in het midden van de jaren dertig niet meer dan een smal weggetje) - de verbinding van de Loostraat (hoek Lange/Korte Loostraat) met de gracht langs de stadsmuur (6) ter hoogte van de toren Ravenborch (2). Langs deze stadsgracht liep een smal weggetje, een paadje, vanaf de Arnhemse Poort langs de Malenborch (1) en Flavenborch (2), tot aan de Vierakkerse Poort (3).

    ACHTER DE GRACHT OF DUlSTERESTRAAT ?
    Dit paadje bestond nog totdat na de oorlog met de aanleg van de Stadswal werd begonnen. De Duisterestraat mondde op dat paadje uit ter hoogte van de pand van de fam. Gertsen en Saat. Tot op dat punt ook heette het weggetje "Duisterestraat". Hier eindigde het dus. Door de aanleg van de Stadswal is dit punt geheel verdwenen zoals ook de oude gracht sindsdien is gedempt. De Duisterestraat eindigt nu dus bij de Stadswal tussen de beide flatgebouwen.

    Achter de Gracht
    Het nu verharde weggetje vanaf de Stadswal tot aan de Helmichstraat is niet het verlengde van de Duisterestraat, maar het laatste restant van het hiervorengenoemde paadje langs de Stadsgracht, dat altijd Achter de Gracht werd genoemd. Doordat de Stadswal de verbinding Duisterestraat-Achter de Gracht totaal heeft doen verdwijnen, heeft het de schijn alsof Achter de Gracht de verlenging is van de Duisterestraat.
    Zij is het dus niet, maar liep - zoals opgemerkt - parallel aan de huidige Stadswal tot aan de Arrhemse Poort. De betrokken situatie zou uit een plattegrond van vóór de Stadswal-aanleg duidelijk worden. l-loe het laatste restant Achter de Gracht de naam Duisterestraat heeft kunnen krijgen, is ons een raadsel.

    Advies
    Op grond van het vorenstaande mogen wij resumerend vaststellen:
    a. de straat tussen Van Voorststraat en Stadswal draagt terecht de naam Duisterestraat;
    b. het weggetje tussen Helmichstraat en Stadswal draagt sinds een aantal jaren ten onrechte de naam Duisterestraat. '
    Wij zouden Uw College derhalve willen adviseren om het onder b. genoemde weggetje de naam ACHTER DE GRACHT te hergeven. Indien Uw College t.z.t. overgaat tot het aanbrengen van explicaties bij de straatnamen zouden wij ten aanzien van ACHTER DE GRACHT willen voorstellen de vermelding: WEG LANGS WESTELLJKE STADSGRACHT'.

    Oude Kerkhof
    Wij zouden van deze gelegenheid overigens graag gebruik willen maken om Uw Collegeer op te wijzen, dat het alleszins te betreuren is dat enkele jaren geleden tevens een andere eeuwenoude straatnaam is verdwenen, namelijk het OUDE KERKHOF, dat thans Molenaarstraat is geheten, welke naam aldaar geen enkele historische betekenis heeft.
    Wij kunnen ons voorstellen, dat het bezwaarlijk is om de nieuwe naamgeving te herzien. Wij zouden het echter bijzonder op prijs stellen indien t.z.t. als explicatie bij het straatnaambord "Molenaarstraat" zou worden vermeld: VOORHEEN "OUDE KERKHOF". U vindt de naam ALDE KEHCKHOF (7) eveneens op het kaartfragment en wel uiterst rechts, in het midden, het ovaalvormige perceel. . . .", aldus de brief van het bestuur van deHistorische Kring Huessen aan B. en W.
    De Historische Kring is overigens van gemeentewege uitgenodigd êeen bestuurslid als vertegenwoordiger van de Kring af te vaardigen naar de Commissie Straatnaamgeving. De Kring-vertegenwoordiger
    heeft inmiddels reeds i.o.vanhet bestuur schriftelijk een voorstel ingediend nopens de straatnaamgeving in de 3e fase van het plan-Zilverkamp, dat van gemeentewegevoorgesteld wordt "Groot Holthuyzen" te noemen, ofschoon het hier om het oude Kleefs-hertogelijke leengoed Hilthuisen of Holthuizen gaat.
    Groot- en Klein Holthuizen zijn de namen van de resp. boerderijen (Hoogerbrugge en Van Essen) .Van dit leengoed zijn de beleningen bekend vanaf 1392 - 1799.
    Wij komen op ons voorstel, dat gebaseerd is op de historie van Holthuizen, nog nader terug.

    Snipper
    Moord op Holthuizen
    "1795. Den 11 January is Theod: Brandts oud 60 jaar voor het plunderen
    der Keiz: Croaten des nachts op Holthuijsen hoofd en hand afgeslagen".
    (Doodboek R.K. Parochie)

    IMG 20170516 0001 Custom

    IMG 20170516 0002 Custom

  • De Langestraat tussen 1910 - 1920 (Uit Medelingen jrg. 2 nr. 6) Open or Close

    DE LANGESTRAAT TUSSEN 1910 en 1920
    (Gezien vanaf de Arnhemse Poort)

    Uit Mededelingen, jaargang 2, Nr. 6

    Bij foto nr.: 1 B 12 (voorpagina)  
    Dit is een oude foto. Zij moet zijn gemaakt tussen 1909 en het begin van de jaren twintig, toen op de plaats links op de voorgrond een huis (bewoond door de fam. Herm.Hendriksen) stond, dat heeft moeten plaats maken voor de Bioscooop Apollo, die in de eerste jaren de naam "De Batavier" droeg. De tramrails geven aan, dat de foto niet ouder kan zijn dan 1909, toen de tramlijn voor de Betuwse Stroomtram Maatschappij werd gelegd. Ook de kleding van de vrouw links op de voorgrond duidt erop, dat de foto wel zal zijn gemaakt tussen 1910 en 1920.
    Gaan we nu beide zijden van de straat bekijken . Dan zien we allereerst de vrouw, die aan een stadspomp water haalt. Pas na de tweede wereldoorlog is Huissen voorzien van waterleiding ! Tot dan deden de stadspompen, die we ook op andere foto's zullen aantreffen, dienst voor mensen, die zelf thuis geen pomp hadden. Het eerste huis links is verdwenen en op die plaats staat - zoals vermeld - nu sedert het begin van de jaren twintig Cinema Apollo. ln het volgende huis woonde in de jaren dertig de schoenhersteller Adr. Oostrom. Bovendien is er de eerste drukkerij van De Nieuwe Koerier gevestigd geweest, daarna de winkel van Fr. Klaassen en nadien heeft er lange tijd de familie Wubbels-Polman gewoond.
    Het volgende huis met bloemenbak (thans De Lama) is lang de winkel geweest van de fam. Lestrade (loodgieter, rijwielhandelaar en electrische apparaten).
    Het grote hoge huis daarnaast is een oud herenhuis. Men lette op de zijgevels met trappen, die, in tegenstelling tot die van de Arnhemse Poort, wel oud zijn. Het huis, dat op de Rijksmonumentenlijst staat en wellicht oorspronkelijk een dubbel woonhuis is geweest, dateert uit de eerste helft van de 17e eeuw. Veel meer of minder bekende personen hebben er kortere of langere tijd gewoond. Zo bijvoorbeeld de Apostolische Vicaris Petrus Codde. ln het begin van deze eeuw woonde er o.a. emeritus-pastoor Luyckx. ln het begin van de jaren twintig werd het huis gekocht door het oud hoofd van de gemeenteschool ,de heer Hulsman. Nu woont er nog zijn dochter Lembertine, -intussen ook hoog bejaard.
    De volgende huizen zijn verwoest bij het bombardement van 2 oktober 1944. Goed zichtbaar is ook nog het huis met het balkon, waar lange tijd heeft gewoond gemeentesecretaris A.A.C. van Dort. Dit huls liep tijdens het bombardement met brandbommen in de nacht van 13 op 14 mei1943 zware schade op.' Nu staat er de pastorie van de Ned.Herv.Gemeente.
    Aan de rechterkant zijn de huizen minder duidelijk te zien. Midden op de straat zijn duidelijk zichtbaar twee strepen van het zonlicht. De voorste streep komt uit de tegenwoordige Vicariestraat (voorheen Bloemerstraat); de achterste uit de Korte Kerkstraat. Op de hoek van de Korte Kerkstraat is het huis zichtbaar, dat licht bepleisterd is en een schuine ingang op de hoek heeft. Dit is het huis voorheen van bakker Hübbers, nu in derde generatie van de familie Stam, bakkers, banketbakkers en kruideniers.
    ln het huis met het zonnescherm was de manufacturenzaak van de familie Scheepers (De Bijenkorf) gevestigd en is nu - na verbouwing - het winkelpand van de HEMA (Mali). Ook is nog vrij goed zichtbaar het huis met de oud-Gelderse gevel, vele jaren bewoond door de familie Smulders en nu door de fam. Helsen, die er een antiekzaak heeft gevestigd.
    Wilt U nog op enige bijzonderheden letten ?
    De stoepen of trottoirs zijn alle verschillend. Ze waren tot in de jaren zestig eigendom van de eigenaar van het betrokken pand. Bij de renovatie van de straten in de binnenstad zijn ze aan de gemeente verkocht en vervangen door gelijke trottoirs met tegels. Het is natuurlijk niet mooier geworden, maar wel noodzakelijk voor het verkeer. Op de stoep bij het huis met de trapgevels ziet men nog hekjes, die de eigendom markeerden. Zo waren er meer in Hiussen. Ze zijn tegelijk met de renovatie van de straat verdwenen. (Een hekje staat nog in de achtertuin van het huis met de trapgevels.) De straat is tussen de rails geplaveid met klinkers, maar in het midden van de straat liggen nog de bekende zware vierkante natuurstenen, de “kinderkopjes".

    A.J. JANSSEN

    Langstraat1

     

  • Zilverkamp: Eens Sgrevenvelde (Uit Mededelingen jrg. 2 nr. 4) Open or Close

    Zilverkamp : eens Sgrevenvelde

    Uit Mededelingen jaargang 2, nov/dec 1976, Nr. 4

    Het plan "Zilverkamp" ontleent,zoals bekend, zijn naam aan de boerderij in de Korte Loostraat. Historisch gezien heeft deze naam niet of nauwelijks betekenis. De boerderij dateert uit 1867/68 (Zie "Mededelingen" , jrg. 2., nr.1 , p.16) en voordien was de naam, voorzover na te gaan onbekend. Het terrein tusgen de Loostraat en Huissense Dijk, waarop thans het plan "Zilverkamp" in fasen wordt gerealiseerd, heette nl. in vroeger niet Zilverkamnp, maar Sgrevenvelde ( 's Grevenvelde = 's Gravenveld).
    Op de 17e kaart,waarvan een fragment is gereproduceerd, zijn Sgrevenvelde en omgeving vrij nauwkeurig aangegeven. Wij hebben op het kaartfragment een aantal cijfers geplaatst om de diverse aanduidingen gemakkelijker te kunnen verklaren.
    Het leek ons voor de "nieuwe" Huissenaren-Zilverkampbewoners interessant te weten hoe het gebied van hun wijk e.o. er in vroegere eeuwen uitzag en hoe de diverse benamingen luidden; temeer waar de gemeente nu een tweetal namen (Sgrevenvelde en Dat Nielant) in een straatnaam heeft doen herleven.
    Het grootste deel van de huidige Zilverkamp was dus Sgrevenvelde (1) geheten, naar één der graven van Kleef, die Huissen — zeker vanaf het begin der 13e eeuw — in bezit hadden.
    In elk geval waren landsheren van Huissen de volgende graven van Kleef: Dirk V (1242—1260) , Dirk VI (1260-1275), Dirk VII (1275-1305), Otto (1305-1311), Dirk VIII (1311-1347), Johan (1347-1368), Adolf I (1371-1394) en Adolf II (1394- 1417, die in jaar tot hertog werd verheven). Dirk V Ill gaf in 1319 "acht hoeven lands bij onzer stad Huissen" in erfpacht en het is niet onmogelijk (maar voorlopig blijft dit speculatief) , dat hierop betrekking heeft de naam "Flandersche Erfpachtslant" (2) .
    Sgrevenvelde behoorde niet tot dit Erfpachtslant, wél: "Dat Kampstuck" (3) welke perceelsnaam nu nog bestaat en ook in een straatnaam voortleeft; "Up Steege" (4) , (de Steeg, aan de Loostraat , bestaat nog) en "Up Haydell" (5) , het grote perceel aan de Loostraat, waarvan de naam verloren is gegaan en nu - volkomen ten onrechte - Rietkamp wordt genoemd; "Dat Nielant" (6) , welke naam nu dus in een straatnaam levendig wordt gehouden, en "Upt Loo" (7) , waaraan de Loostraat (8) haar naam ontleent.
    Aan Sgrevenvelde, Dat Nielant en Upt Loo grensde "Holthusen" (9) , welke naam behouden is gebleven. De boerderij "Klein Holthuizen" heeft voor de bebouwing van de Zilverkamp plaats moeten maken; "Groot Holthuizen" is behouden gebleven. De Korte Loostreat komt op de kaart voor als een brede weg en wordt dáár genoemd "Die Breedestrait" (10) .
    Daar grensde het langgerekte perceel "Die Wigartzhoeveo" (11) die — verbasterd - bewaard is gebleven in de straatnaam "Wijngaarden". Met een wijngaard heeft deze naam dus niets te maken. De oorspronkelijke naam duidt op de "hoeve" van zekere "Wigart".
    De huidige Bredestraat is veel smaller aangegeven en heet op de kaart "Die Breedestrait na Bercheren" (12) = de Bredestraat naar Bergerden, de aan het einde van de Hoeve gelegen buurtschap, die niet tot het grondgebied van Huissen behoort.
    Onder aan da kaart ziet men de vermelding "artgen" , het restant van de naam Startgen (13) — staartje , een staartjesvormige waard vóór de stad.
    Rechts daarboven is het bochtig dijkverloop te zien en in de eerste grote bocht een bouwsel (14) op de plaats van de Stenen Paal, een naam die waard is behouden te blijven. De oude grenspaal ("Stenen Paal") tussen Huissen en Holthuizen mag zeker niet verdvvijnen.
    Buitendijks tegenover de Stenen Paal ziet men een perceel met behuizing, dat op de kaart als "Cleverkamp" (15) is aangegeven. Rechts onder op de kaart wordt bij de dijk vermeld: "Begin van Malbergen" (16) .

    Grevenveld kl