Artikelen uit oude Mededelingen

Sinds 1976 geeft de Historische Kring Huessen het periodiek "Mededelingen" uit
Het blad had toen als ondertitel "over de werkzaamheden van de Historische Kring Huessen".
Dat is nu veranderd in "omtrent de verenigingsactiviteiten van en de resultaten van historisch onderzoek door de Historische Kring Huessen"
Mededelingen werd toen nog vormgegeven op een ouderwetse typemachine en daarna vermenigvuldigd op een stencilmachine.


  • Langekerkstraat en omgeving na de pastoriebouw van 1913, uit Mededelingen jrg 5, 1979/80 nr 3 Open or Close


    Langekerkstraat en omgeving na de pastoriebouw van 1913
    uit Mededelingen jrg 5, 1979/80 nr 3

    Het is me opnieuw gelukt om, dank zij een fortuiniijke ruil, beslag te leggen op een weinig bekende ansichtkaart van Huissen en wederom was het de uit een door J. Peters uitgegeven serie.
    Zij is echter van jongere datum dan die, welke onder de titel "Oud zicht op twee kerken" in hat vorige nummer werd afgedrukt. Ook nu echter is de r.k. pastorie aan de Langekerkstraat beslissing voor de datering.
    Toonde die vorige de op 30 maart 1912 afgebrande pastorie, de gereproduceerde ansichtkaart laat de nieuwbouw zien, die enkele maanden na de brand reeds was begonnen en in 1913 voltooid was.
    De opname dateert ook uit dat jaar, zelfs zeer kort na de voltooiing, want op de foto zijn achter de groep personern nog hopen zand (van de bouw) in de voortuin te zien. Bovendien blijkt die datering uit de afstempeling van het origineel, dat op 12 augustus 1913 vanuit Huissen door zekere Tjibbe werd gezonden aan Mej. A. Venekamp p/a mevr. Feith, Wagenweg 21 te Haarlem.
    De opname werd gemaakt vanaf de kerkhof, de hof (en begraafp!aats) rond de kerk, nl. het gedeeite langs de zuidgevei van de kerk, die toen door een muur (uiterst rechts) en - aan de pastoriezijde - door een hekwerk was omgeven.
    Vóór de pastoriernuur-met-hekwerk poseerden vier mannen, van wie er éém - links - vrijwel geheel schuil gaat achter de man vóór hem. Drie hunner dragen een pet; de middenste (voorzover orner de loep te zien) een bonnet en het lijkt te zljn pastoor, later deken H.B. Bodifee, die op 18 januari 1907 PEstoor G.J.J. Kersten was opgevolgd.
    Het viertal wordt geflankeerd door resp. vier en elf schoolmeisjes, die een witte boezelaar voor hebben an van wie de meesten klompen dragen. Een zestiende meisje is op de muur geklommen en houdt zich aan het nek vast.
    Uiterst links, naast de serre, is vermoedelijk een misdienaar te zien.
    Over de gebouwen, die op de foto voorkomen en waarvan er nog enkele bestaan, het volgende. Van de pastorie, die werd gebouwd onder architectuur van architect Oscar Leeuw uit Nijmegen (die aldaar o.a. het Concertgebouw De Vereeniging ontwierp) en waarvoor reeds op maandag: 12 augustus 1912 de eerste steen kon worden gelegd, is de noordelijke zijgevel met serre te zien.
    In tegensteling tot de afgebrande pastorie, die haar hoofdingang aan de kerkzijde had, stond de nieuwe, riante pastorie met de voorgevel naar de Langekerkstraat.
    Zij had aan de voorgevei een grote halfronde erker met op de bovenverdieping een balcon met loggia. Zij was van de straat gescheiden door eenzelFde lage muur met daarop een ijzeren hekwerk als aan de kerkzijCe (Zie foto) en was dus niet, zoals thans, aan het gezicht onttrokken.
    Bij de kerkverbouwing en -uitbreiding in 1933/34 werd de pastorie door een gang tevens plantenserre met de nieuwe sacristiesn verbonden. De pastorie van Oscar Leeuw overleefde de ooflog niet.
    Bij de brand van de kerk tengevolge van het brandbombardement op 13/14 mei 1943 had zij reeds gevaar gelopen en was men reeds begonnen haar leeg te dragen.
    Door het nathouden van de genoemde verbindingsgang kon zij echter gered worden. Bij het bombardement op 2 oktober 1944 were zij echter door een voltreffer geraakt.
    Van degenen, die in de keider toeviucht hadden gezocht, kwamen o.a. om het leven: kapelaan P. van Oosten, die van Arnhem—Zuid naar Huissen was gevlucht, pater Aug. v.d. Vaart O.P. , de huishoudsters Hedwig en Angela Brüggen en Wilhelmina Brons.
    Deken Th.J. van Wijk werd zwaar getroffen en overleed 's avonds in een kloostercel van het Dominicanenklooster. Na de bevrijding werd hetgeen wat overgebleven was van de pastorie gesloopt. Naast de pastorie stond (en staat nog, maar helaas achter een later bouwse! grotendeels aan het gezicht onttrokken) de St. Antoniuskapel van de Zusters Franciscanessen van Heijthuizen.
    Met de boww van de kapel werd 24 maart 1891 begonnen, waar zij reeds op 2 juli van dat jaar plechtig in gebruik werd genomen. Naast de kapel ziet men op de foto het oude gebouw van het St. Elisabethsklooster, dat midden dertiger jaren werd gesloopt en door een nieuw werd vervangen, thans het secretariegedeelte van het stadhuis. De hoge gevel er achter is die van het voormalige "Damesgesticht", het latere "Sancta Maria" , thans eveneens stadhuis. Tussen het "Damesgesticht" en de witte voorgevei is nog even het hoge pand van de fam. Geveling zichtbaar. De witte voorgevei is die van het grote pand, met bakkerij, winkel en woonhuis met stalling "De Zon" (het café van die naam is niet zichtbaar) van de fam. Geene. "De Zon" werd door brand verwoest op meizondag, 6 mei 1934. " Vóór" De Zon is nog vaag zichtbaar het nog bestaande (verbouwde) woonhuis Langekerkstraat 11 thans bewoond door de fam. Hendriks. Van daar af begon toen de langs de zgn. Kloostertuinen (de voormaiige Conventstuinen) lopende muur, die begin van de dertiger jaren werd gesloopt ten behoeve van de scholenbouw. Op de muur, ongeveer ter hoogte van het gebouw (voormal ige St. Antoniusschool), waarin thans raadszaal en documentatiecentrum zijn gevestigd, is nog een straatlantaarn te zien.
    G.BEDEAUX

    Langekerkstraat

  • De molen geschilderd door pater Hyacinthus Meijer O.P. , uit Mededelingen jrg 5, 1979/80 nr 3 Open or Close


    De molen geschilderd door pater Hyacinthus Meijer O.P.
    uit Mededelingen jrg 5, 1979/80 nr 3

    De Kring heeft van twee Huissenaren, die onbekend wensen te blijven, een schilderstukje ten geschenke ontvangen, dat op het omslag verkleind en in zwart-wit is gereproduceerd.
    Het paneeltje in olieverf (36 x 50 cm) heeft geen bijzondere artistieke waarde, maar is documentair interessant omdat het de in januari 1929 gesloopte torenmolen "van achteren" laat zien, d.w.z. vanaf de Rijnkant - mogelijk vanaf 'n punt op de zgn. Hoge Weide - en daardoor een blik gunt tévens op de bebouwing aan de Stadsdam (Gasthuisstraat vanaf het Dominicanenkloosler) tot aan de Stenen Paal, terwijl zelfs "Het Duifje" zichtbaar is.
    Vooral interessant daarbij is de in beeld gebrachte bebouwing hoek Gasthuisstraat-Burchtgracht, die in de wandeling "huurkazerne" werd genoemd.
    Het klooster is zelfs weergegeven met de eerste zijvleugelaanbouw aan het oorspronkelijke herenhuis "Het kasteel" .
    Helaas weten we niet of de - inmiddels overleden - (amateur-)schilder naar de natuur heeft geschilderd of naar een foto. De maker had met zijn werkje kennelijk geen enkele pretentie; hij was een zondagsschilder: pater Hyacinth(us)(Adrianus) Meijer O.P.(1)
    Deze in 1891 geboren Nijmegenaar, die op 28 augustus 1973 aldaar overleed, verbleef van 13 oktober 1927 tot juli 1934 in het Huissense klooster (2).
    Hij heeft dus de molen nog gekend en het is niet onmogelijk, dat hij hem tussen 1927 en 1929 naar de natuur heeft geschilderd, al zou hij dan echter ook het klooster met de later aangebouwde vleugels moeten hebben afgebeeld.
    Blijkens een notitie heeft hij het schiderij op 15 september aan onze schenkers cadeau gedaan. Zij konden ons echter omtrent de datering evenmin inlichten. Het schilderij van pater Meijer is overigens niet het enige, dat de molen "van achteren" laat zien.
    Men zie ook de penseeltekening van L.Wiersma (1921) in het Arnhems Gemeentemuseum. (Afgebeeld in BM Gelre,dl. LXVII I (1974/75) .

    1) Niet te verwarren met de bekende cantor p. Carl (Arnaud) Meijer O.P.

    Deze is op 8 nov. 1978 op 82-jarige leeftijd overleden te Nijmegen.
    2) Vriendelijke informaties van het Provincialaat der Dominicanen.

    molen

  • Veertig jaar geleden was Huissen „garnizoensstad" uit Mededelingen jrg 5, 1979/80 nr 1/2 Open or Close


    Veertig jaar geleden was Huissen „garnizoensstad"

    uit Mededelingen jrg 5, 1979/80 nr 1/2


    Op 29 augustus j. l. was het 40 jaar geleden dat de algemene mobilisatie werd afgekondigd nadat reeds in april tevoren de zgn. vóórmobilisatie had plaats gehad. Veertig jaar geleden was Huissen "garnizoensstad" opgenomen als het grondgebied der gemeente was zowel in de lijn van weerstand van de IJsselverdediging als in de lijn van weerstand van de zgn. Groep Betuwe, terwijl de zich nu nog tot de gemeente behorende Middelwaard aan de overzijde van de Neder-Rijn (schuin tegenover het Looveer) in het gebied van de voorverdediging van de zgn. IJssellinie was gelegen.
    Veertig laar geleden liep dwars door de gemeente Huissen de hoofdstelling van de eerste grensverdedigingslinie en enkele honderden militairen bevolkten toen Stad, Zand en Looveer. Vooruitlopend op de documentatie, welke de Historische Kring te zijner tijd hoopt te wijden aan de mobilisatie- en Oorlogsperiode 1939 - 1945 menen wij onze leden een geroegen te kunnen doen door de publikatie van enkele interessante foto's uit de mobilisatieperiode 1939-40.
    Wij danken de mogelijkheid tot publikatie van twee der foto's (de derde - van de officiersbeëdiging - is aan een in eigen bezit zijnde afdruk ontleend) aan ons lid, de heer H.W.Martens, die wij voor zijn geste zeer erkentelijk zijn. Waardevolle hulp bij de "identificatie" werd ons door de oud-torpedist, de heer A.v.d. Nieuwenhof te Eindhoven en zijn oud-wapenbroeder, de heer H. van Beers te Heusden.
    Ter begeleiding mogen wij de volgende bi jzonderheden verstrekken over de "militaire situatie" in de Over-Betuwe en in Huissen in die mobilisatieperiode. Gegevens daarvoor zijn, behalve uit eigen herinnering, geput uit de publikatiereeks van de Krijgsgeschied«undige Afdeling van het Hoofdkwartier van de Chef van de Generale Staf, "De Strijd op Nederlands grondgebied tijdens de Wereldoorlog II, Hoofstuk III, deel 2, Onderdeel D : "De verdediging van de Over-Betuwe door de Groep Betuwe van de Strategische Beveiliging mei 1940", 's Gravenhage 1952.

    mobilisatie1

    mobilisatie2


    Toen in april 1939 de zgn. strategische beveiliging werd ingesteld, werd die in de Over-Betuwe uitgevoerd door de Groep Betuwe. Deze groep bestond uit het 8e Grensbataljon ( 8 GB), het IIIe Bataljon van het 42e Regiment Infanterie (III-43 R.I.), enig personeel van de 11e Compagnie Pontonniers (11 C.Pn.), de grenswachtdetachementen Pannerden, Gendt en Beek, de dekkingsdetachementen Nijmegen-Spoorbrug en Nijmegen-brug voor gewoon verkeer, en de Groep Lent van de politietroepen.
    Sedert 1 december 1939 was de Groep Betuwe gesteld onder bevel van de commandant van de Brigade A De commandopost van de Groep Betuwe bevond zich te Elst, evenals die van iii-43 R.I. De groep vormde de schakel tussen de IJsselverdediging en de verdediging van het Maas-Waalkanaal en had tot opdracht een doormars door de Over-Betuwe zo lang mogelijk te vertragen. De terugtocht was voorbereid op de zgn. Betuwe-stelling in de lijn Ochten-de Spies, welke door Brigade A werd verdedigd. Tussen de Groep Betuwe en de Betuwestelling bevond zich het 6e Eskadron van het 1e regiment huzaren, dat na het teruggaan van de Groep Betuwe de vertraging en het contact met de vijand moest overnemen.
    Aanvankelijk liep de lijn van weerstand van de groep langs de noordelijke Waaloever van een punt tegenover de uitmonding van het Maas-Waalkanaal tot het fort Pannerden en van daar langs de westelijke oever van het Pannerdens Kanaal/Neder-Rijn . Later werd deze ongunstige en concentrisch aan te grijpen lijn vervangen door een kortere lijn, die van de Waaldijk over Bemmel en Huissen naar de Neder-Rijn (iets ten noorden van het Looveer) liep.

    mobilisatie3

    Situatie in Huissen
    Op het (toenmalige) grondgebied van de gemeente Huissen kwamen 2 verdedigingslinies bijeen. Op de Pleijen eindigde namelijk de lijn van weerstand van de IJsselverdediging (aldaar behorend tot de Groep IJssel-Zuid) terwijl enkele honderden meters zuidelijker - nabij het Looveer — de lijn van weerstand van de Groep Betuwe begon.
    We zullen ons verder uitsluitend bezighouden met de situatie op het huidige grondgebied van de gemeente Huissen, waar dus de lijn van weerstand van de Groep Betuwe begon.
    In Huissen waren de volgende onderdelen gelegerd: a. Detachement Torpedisten voor de in de Neder-Rijn nabij het Looveer aangebrachte Grondmijnversperring Nr2 . Het detachement , dat onder commando stond van de in de meidagen 1940 te Dordrecht gesneuvelde 2e luiterant L. Lucassen,beschikte over 2 lichte en 2 zware mitrailleurs. Het detachement was administratief ingedeeld bij de 3e Compagnie van het 3e Bataljon 43 R.I. (3-III-43 R.I.).
    b. de 3e compagnie van het 3e bataljon 43 R.I.(3-III-43 R.I.) onder commando van de reserve-kapitein J.F.J.Janssen. De stelling van deze compagnie liep vanaf het Looveer tot de onlangs gesloopte kazemat in de bocht van de Karstraat bij het Zandse Voetpad. Deze kazemat behoorde tot de stelling van de andere compagnie 3-III—43 R.I. was versterkt met twee secties zware mitrailleurs, een stuk pantserafweergeschut (pag) , een stuk "8 staal" (kanon van 8 cm.B staal) , dat in de Bloemstraat stond opgesteld.
    c. de 4e compagnie Van het 3e bataljon 43 R.I. (4-III43 R.I.), onder commando van de reserve—kapitein F.H. Berger. De stelling van deze compagnie liep vanaf de Onder b. genoemde kazemat tot iets voorbij de Karbrug op het grondgebied van de gemeente Bemmel waar nog 2 kazematten tot haar lijn van weerstand behoorde. "Naast" haar op Bemmels gebied, lag de 1e compagnie van het bataljon.
    Kazematten
    de beide in Huissen gelegerde compagnieËn beschikten op het Huissense grondgebied over 25 kazematten, nl. 17 in het ressort van de 3e (5 voor zware en 12 voor lichte mitrailleurs) en 8 (alle voor lichte mitrailleurs) in dat van de 4e compagnie. Bovendien waren er 6 putring- of aspergeversperringen (resP. bij Kerkelanden, de Geer, de POL (2), de Angerse dijk (bij zwembad De Grote Bloem) en Looveerweg (bij de sluis).

    Torpedisten "in veldslag"
    De Torpedisten, die vanaf april 1939 in Huissen gelegerd waren, namen in juni 1939 deel aan "de gevechten" tijdens de herdenking van het beleg en ontzet van 1502 door de beide gilden. Zij hadden met losse flodders een actief aandeel in het spiegelgevecht.


    Legering
    De militairen waren overal in Huissen gelegerd. Enkele torpedisten waren aan het Looveer ingekwartierd; de meesten echter lagen in de stad, aanvankelijk in het gevorderde Hoofdkwartier van de Verkennersgroep Mbaga op de Markt (Stadswaag),in de lokalen van de Openbare of Gemeente-school aan de Langestraat, waar zij , behalve over manschapsverblijven, ook over een kantine beschikten. De sergeants hadden hun bureau in het voormalige postkantoor aan de Weverstraat. De keuken van de torpedisten was ondergebracht in de schuur van hotel De Harmonie (Bosman) aan de Markt/ Rijnstraat.
    De militairen van de beide compagnieën van 43 R.I.waren gelegerd o.a. in : hotel De Gouden Engel, café De Poort van Cleve, het gebouw van de R.K. Volksbond, een barakkenkamp in de Karstraat (ter hoogte van autobedrijf Van Dalen). Officieren waren bij particulieren ingekwartierd. De commandopost van 3-III—43 R.I. was ondergebracht in een huis aan het Mariapiein, dat van 4-III-43 R.I. aan de Karbrug. Voor de "ontwikkeling en ontspanning" waren militaire tehuizen ingericht, een katholiek en een protestant. Het katholieke militair tehuis was ingericht in de voormalige woning van het hoofd van de openbare school aan de Langestraat, waarin later de oudheidkamer gevestigd werd.

    KADERLIJST
    Blijkens de publikatie "De verdediging van het Maas-Waa!kanaal en de OverBetuwe mei 1940" (Den Haag, 1952) zag, voor zover bekend, de kaderl ijst van de te Huissen gelegerde onderdelen er als voigt uit:
    3-III-43 R.I.:
    Res.kapt.J F.J. Janssen (comm. )
    1e luit.J.C.A.Langeveld (zw.mitr.)
    Res. 2e luit. A.J. du Marchie van Voorthuijsen
    Res. 2e luit. B.W.van Klaarbergen
    Res. 1e luit. J.C. Graauw
    4—IIII-43 R.I.:
    Res. kapt. H.F. Berger (comm.)
    Res. 1e luit. B. Verschuur
    Res. 2e luit. W. H.'t  Hart
    Res. 2e luit. G. de Meulder
    C.—Grondmijnversperring Nr. 2:
    (det. torpedisten)
    2e luit. L. Lucassen


    "Ontwikkeling en ontspanning"
    Ter illustratie van hetgeen voor de "ontwikkeling en ontspanning" ( O. en O.) van de in Huissen gelegerde militairen werd gedaan, mogen we de oproep citeren, die in oktober verscheen in 1939 verscheen in De Gelderlander en het Dagblad van Arnhem: "HUISSEN. Ontspanning van militairen - De legering van militairen in deze gemeente moet om meer dan een reden van beteekenis worden geacht voor de ingezetenen. Bovendien leeft ieder rechtgeaard Nederlander mede met zijn medeburgers, die ter handhaving van de Nationale Onafhankeijkheid onder de wapenen gehouden worden. Nu het verblijf onder de wapenen een langdurig karakter gaat aannemen dan aanvankelijk verwacht, bestaat er alle aanleiding voor de ingezetenen blijk te geven van hun medeleven met de plaatselijk gelegerde militairen.
    Daarom doet het Comité uit de Burgerij een ernstig beroep op de bevolking in al haar geledingen een bijdrage te schenken bij gelegenheid van de inzameling, welke zal worden gehouden door middel van het in ontvangst nemen van een enveloppe, waarin men verzocht wordt zijn gave te willen sluiten. Bij twijfel vrage men den met het ophalen van de enveloppen belasten persoon naar diens legitimatie. Het ligt in de bedoeling de opbrengst der collecte aan te wenden tot het veraangenamen van het verblijf der militairen ter plaatse, een en ander in overleg met de militaire overheid en tot instandhouding van de beide Militaire Tehuizen in het bijzonder. In de toekomstige documentatie zal nader en gedetailleerder op de mobilisatieperiode worden ingegaan.
    H.W.J. DERKSEN

    Een bericht uit Huissen in De Gelderlander van nov. 1939: in het veilinggebouw werd een folkloristische avond gegeven door den alom bekenden folklorist D.J.van der Ven uit Oosterbeek.
    De zaal was vol belangstelling.
    Onder de aanwezenden merkten we o.m. op de Geestel. en Plaatselijke Overheid, verschillende officieren en enkele burgers; terwijl de leden der beide Schuttersgilden als eeregasten hierbij tegenwoordig waren.
    De avond werd geopend door Luitenant Grouw, die allen hartelijk welkom toeriep, speciaal den heer en mevrouw van der Ven, die dezen avond voor de grenstroepen verzorgden... In de pauze wachtte onze landsverdedigers nog een verrassing en werd voor hen door de Vendeliers van de Gilden een demonstratie in het vendelen gegeven wat door hun zeer op prijs werd gesteld...
    Ook de Niemeijers Tabakfabrieken "Tabak Van Vader Op Zoon" bleven hun devies gedachtig bij onze soldaten. Allen kregen een pakje heerlijke tabak....
    Kwatta Breda, bij onze soldaten overbekend, liet zich ook niet onbetuigd en tracteerde op kwatta-chocolade.Dat deze versnapering bij onze jongens zeer welkom was, laat zich begrijpen".

  • Joodse begraafplaats lag aan de stadsmuur bij de Arnhemse Poort" Uit Mededelingen jrg. 5, 1979/80 nr. 1/2 Open or Close


    "Joodse begraafplaats lag aan de stadsmuur bij de Arnhemse Poort"

    Uit Mededelingen jrg. 5, 1979/80 nr. 1/2

    Volgens Stadsrekening van 1697/98; Joodse begraafplaats lag aan de stadsmuur bij de Arnhemse Poort
    door H.W.J.DERKSEN en J.H.F. ZWEERS

    Vier jaar geleden, in "Mededelingen", 1e jrg., nr. 1 (sep./okt. 1975) werd de vraag aan de orde gesteld: "Waar lag Huissens Joodse begraafplaats ? " .
    Een antwoord op die vraag was onmogelijk bij gebrek aan enig gegeven over de localisering, behalve dan de summiere vermelding in Fritz Baer, Das Protokollbuch der Landjudenschaft des Herzogtums Kleve (1): In Huissen wünscht Nehemias Salomon aus dem benachbarten Pannerden (...) ein Haus anzukaufen. Seine Eltern sollen entweder in H. wohnhaft gewesen oder wenigstens auf dem dortigen Judenfriedhof, welcher unter dern Deich fast vergraben ist, beerdigt sein". (l)
    Deze mededeling werd ook in De Joodsche Middenstander van 18 maart 1938 geciteerd door dr. Jac Zwarts in zijn artikel "Zeven eeuwen Joodsch verieden van Arnhem" : "hier (in Huissen. HD/JZ. ) was de oudste begraatplaats van de Joden in Arnhem, thans bijna onder den Dijk geheel bedolven" .
    Naar Zwarts' artikel werd op zijn beurt verwezen in een artikei van A.G. Steenbergen te Wageningen, "De Joodse begraafplaats in Arnhem" in de juni—aflevering, nr. 65/1975, van het "Gelders Oudheidkundig Contactbericht" .
    Intussen trof ons medebestuurslid dr E. Smit in het Hatuptstaatsarchiv te Düsseldorf een brief aan van Commisarius Loci Von Hoven van 31 januari 178B, welke als volgt begint: "Zu Huijssen sind ehedenn Juden wohnhaft gewesen und haben darbey auch einen eigenen Kirchhof gehabt, welches zum Theil unterm Deich vergraben isst. (2)
    Over de plaats en de bestaansperiode van het kerkhof geeft het dossier (2), dat handelt over het al dan niet toelaten van een tweetal patriotse Joden (Levi Meijer uit Wormenhuizen en de eerder genoemde Nehemias Salomon uit Pannerden) , geen uitsluitsel.

    joodsebegraafplaats1 Custom

    joodsebegraafplaats2 Custom

    Ook in de hypothekenatlas en het hypothekenboek van het Ambt Huissen vonden we niets naders over een Joodse begraafplaats. Een dossier,waarvan tweede ondergetekende te Düsseldorf de omschrijving vond ("Akten wegen der Beschwerden des Peter Pilat zu Huissen überhörte Behandlung in Sachen des Juden Meyer Isaac Zu Kleve, namens des Juden Benjamnin Polack im Haag, 1773") bleek in de oorlog helaas verloren te zijn gegaan.
    Voor ons bleef dus de vraag: waar precies lag die begraafplaats?
    In de volksmond heette het attijd - tengevolge van een onjuiste interpretatie — dat het zogenaamde Oude Kerkhof" (het terrein tussen Helmichstraat en Kempke) de voormalige Joodse begraafplaats zou zijn geweest. Weliswaar ligt dit "Oude Kerkhof" buiten de stadsmuur, zoals met Joodse begraafplaatsen het geval was, maar, afgezien van het feit, dat het té ver van de Dijk is gelegen om daaronder bijna geheel bedolven te kunnen zijn, was de veronderstelling bij degenen, die zich met Huissens historie bezighouden, al snel van de hand gewezen.
    Het "Alde Kerckhof", zoal het reeds in de 16e eeuw werd genoemd (3) , nadat in 15e eeuwse schepenoorkonden steeds sprake is van een "stuck lands geheiten die Kerckhoff"(4) was een (de oudste ? ) christelijke begraafplaats van (een ouder ? ) Huissen.
    Onze gedachten gingen al geruime tijd uit naar de andere - de Arnhemse - kant van de stad, waar de situatie eerder aan het gegeven "bijna onder den Dijk geheel bedolven" voldeed. Het gelukte ons echter niet een bevestiging van deze vermoedens te vinden.Totdat we dan onlanks een gezamenlijk onderzoek instelden in de 17e en 18e eeuwse Stads— en van Huissen, walke zich sinds 1388 in het Rijksarchief ven Gelderland te Arnhem bevinden (5).
    In deze rekeningen is telken jaren een post ontvangsten ("extra ordinaris ontfanck") — vanaf 1740 met de vermelding: "Von Juden Begräbnissenn — opgenomen, aangezien de Joodse begraafplaats eigendom van de stad was. Dit blijkt ten overvloede uit een notitie in de stadsrekening van 1713, luidende: (6)
    "Den Joden Kerckhof gehoort tot die Stadt en inval eenen ouden Joden daarop begraven word, daar van profiteert die Stadt 2 g.l. ende een minder jaerigen nae proportie".
    Bij dat gezamenlijk onderzoek vonden we tenslotte ook het antwoord op de vraag waar de Joodse begraafplaats was gelegen. In de (oudst bewaarde) Stadsrekening, die van 1697/98, wordt namelijk terloops bij de betrokken ontvangstpost vermeld: "Over dit jaer zyn geen Joden bij de Arnhemse Poor aen StadtsMuijr begrave...
    Deze notitie bevestigde derhalve ons vermoeden. Het begraafplaatsje bestond in 1788 nog, althans gedeeltelijk, hetgeen blijkt uit de brief van Commissarius Loci Von Haven. Tot wanneer er uit Huissen afkomstige Joden nog werden begraven, staat niet vast. In elk geval was zulks — zoals blijkt uit de negatieve vermeldingen in de Cämmefey-Rechnungen — na 1740 niet meer het geval.
    De Arnhemse Joden vonden er toen nog wel steeds hun laatste rustplaats. Op 12 September 1755 dienden de Arnhemse Joden Salomon Cohen Jacobs en Samuel Levi een request in om een eigen begraafplaats in Arnhem te verwerven. Als argumenten voerden zij aan: Dat alhier (in Arnhem. HD/JZ.) geen kerkhof hebbende Sij geobligeert sijn in cas van sterfgevallen groot oncosten tot het transporteeren van haare lijken na Huissen aan te wenden, en vermits op het kerkhof aldaar geen plaats meer is (7).
    Uiteindel ijk verwierven de Joden te Arnhem een begraafplaats "op de zogenoemde Sinkenberg aen den Sandberg" (8)  


    Cämmerey - Kämmerei

    Ook nu nog wordt in Duitsland de te onzent als gemeente-ontvanger (ook: comptabele) bekende functionaris de "Kämmerer" (oud: Cämmerer) genoemd. De "Cämmerey" (in huidig Duits: "Kämmerei") was dus te vergelijken met het "kantoor van de gemeente-ontvanger. De "CämmereyRechnung" was de jaarlijks door de "Cämmerey" opgestelde rekening van de inkomsten en uitgaven der stad. In de Pruisische tijd, met zijn sterk centraliserende tendenzen, moesten de Cämmerey-Rechnungen, in tegenstelling tot de stadsrekeningen van vóór die tijd, overeenkomstig een voorgeschreven model worden ingericht
    .



    Waar nu moet het Joodse begraafplaatsje aan de Arnhemse Poort gelocaliseerd worden ? Drie gegevens kunnen ons helpen bij het zoeken naar een antwoord. Het zijn: 1. de Arnhemse Poort; 2. "aen Stadts Muijr"; 3. "unterm Deich fast vergraben" ( "Thans bijna onder den Dijk geheel bedolven") .

    joodsebegraafplaats3 Custom


    Het laatgte gegeven wijst er zonder meer op, dat de begraafplaats moet worden gezocht bij de stadsmuur aan de oostelijke zijde van de Arnhemse poort, daar waar zich de Dijk (Stadsdam) bevond. Aan de westelijke zijde bevindt en bevond zich geen dijk, maar de (lager gelegen) Wijngaardse Hoven ("Wigaertz Haeven). Er zijn dan maar 2 plaatsen, die naar onze mening kunnen overblijven: de voorrnalige "driehoek" (thans veranderd tengevolge van de reconstructie van de op/afrit bij de Arnhemse poort) , begrensd door de Damstraat,de dijkafrit en de Arnhemse Poort (het oostelijk straatgedeelte tussen het pand van de fam. Bosman/Jeurissen en café Arnhemse poort)
    Op deze "driehoek" stonden tot vóór genoemde reconstructie enkele oude huisjes. En van de stadsmuur' waaraan de begraafplaats was gelegen, werd uitgerekend het laatste fragment, dat bene op de zgn. Rijksmonumentenlijst stond, enkele jaren geleden - na de sloop van die huisjes, die er tegen aan gebouwd waren — onverhoeds gesloopt.
    Als deze "driehoek" de plaats is geweest, lag het begraafplaatsje
    niet op hetzelfde niveau als waarop tot voor enkele jaren de huisjes stonden en thans het plantsoen is gelegen. Door de ophoging van de Stadsdam in 1809/10 verdween het Joodse begraafplaatsje dan totaal onder de dijkvoet. Daarvóór waren er echter reeds ophogings- en verbeteringswerkzaamheden verricht wegens dijkbeschadiging in de 18e eeuw.
    Het gehele terrein rond de Arnhemse Poort is aanzienlijk opgehoogd zoals reeds eerder is uiteengezet rond de opgravingen van het poortrestant aldaar (10). Als het Joodse begraafplaatsje dus dáár moet worden gezocht, dan lag het ca. anderhalf à 2 meter lager.
    Tégen de "driehoek"' als begraafplaatsie spreekt echter de situatie ter plaatse zoals getekend op een Pruisische kaart uit begin 18e eeuw, waarop langs het betrokken stadsmuurgedeelte bij de Damstraat een haventje is aangegeven. De tweede mogelijkheid dán is het terrein vóór de Arnhemse Poort (thans doorsneden door de Stadswal) , waar tot aan de reconstructie het huis met schuur "Welgelegen" (laatstelijk van de fam. Derksen-Martens) stond, naast het pand van rijwielhandel Siepman (11) . Een nader Onderzoek , mede aan de hand van de oude kaarten en mogelijk door archeologische opgravingen, zal ons hopelijk uitsiuitsel kunnen geven.
    Een studie over te Huissen woonachtige Joden tot begin 20e eeuw en over de begrafenissen aldaar is nog niet afgerond en vereist nog uitgebreid cnderzoek.
    NOTEN
    1) Berlin 1922, Band l, pg. 57, noot 8.
    2) SAD, Kieve Kammer Nr. 3688. "Acta wegen der in der Stadt Huissen hier angesetzten Juden 1788—1789"
    3) Dit kerkhof wordt reeds alszodanig genoemd op de kaart "Die Stat Huissen 1586" RAG, Domeinadministratie nr. 9.
    4) RAG, Cartulariurn van het St. Elisabethsconvent, fol. 140 (1440) , fol. 141 (1449) etc.
    5) RAG, Domeinadministratie Huissen Nr. 3.
    6) id, Stadsrekening 1713, fol. 7.
    7) Gemeentearchief Arnhem, Commissie- en politieboeken fol. 69v.
    8) Deze begraafplaats bevond zich dus bij de Sandberg, aan de voet van de Sinckenberg aan de Utrechtseweg bij het Gemeenternuseum en is daar nog te zien.
    9) H. Derksen en J. Zweers, "Het koepeltje der pastorij" , in:Mededelingen HKH, jrg: 3, nr. 4, pg. 144—148.
    10)Th. H. Janssen, De Arnhemse Poort te Huissen, in:Mededel ingen HKH, jrg. 2, pg. 134-139.
    11)Het betrokken pand is toevallig te zien op de foto's,gepubliceerd in dit nummer op pg. 17 en op pg. 37.

  • "Oud zicht" op twee kerken, uit Mededelingen jrg. 5, 1979/80 nr. 1/2 Open or Close


    "Oud zicht" op twee kerken"

    Uit Mededelingen jrg. 5, 1979/80 nr. 1/2

    Niet zonder moeite gelukte het me onlangs om bij een professioneel verzamelaar van prentbriefkaarten beslag te leggen op een zeer oude ansichtkaart van Huissen, die me bijzonder interessant leek om juist in "Mededelingen" af te drukken. De foto werd namelijk gemaakt op het terrein van het voorrnalige St. Elisabethsconvent en wel aan het einde van het kerkhofpad, dat de voorganger was van de huidige Conventstraat, waar nu een gedenksteen aan het verblijf van Johannes van Neercassel herinnert. Onder de afbeelding staat gedrukt: "R.C. Kerk Huissen - uitg. Peters Huissen 4800". Uit welk jaar de kaart dateert of wanneer zij werd verzonden, is niet na te gaan omdat de afdruk van het poststempel te onduidelijk is.
    Wegens één der op de foto afgebeelde gebouwen, nl. de r. k. pastorie (rechts), weten we echter, dat de kaart in elk geval van vóór 1912 dateert. Die pastorie brandde nl. in de vroege morgen van donderdag, 30 maart 1912 af. De kaart is dus op zijn minst ruim 67 jaar oud. Zij is des te interessant omdat op één na alle er op voorkomende gebouwen zijn verdwenen. Het enige nog behouden gebleven pand is de zgn. Gelderse gevel in de Langestraat, die ( zij het wat moeilijk) te herkennen valt. De markantste gebouwen, waarop de kaart "oud zicht" geeft, zijn de twee kerken. Links de stadsparochiekerk, een laatgotische driebeukige kerk, waarvan de zijbeuken langs de oudere (Gangulfus-)toren doorliepen. Boven het geboomte is het torentje waarneembaar van de 8-zijdige sacristie, die in 1883 door architect Tepe ten zuiden van het priesterkoor werd gebouwd. De andere is de in 1871 onder architectuur van de Waterstaatsopzichter S.A.Fijnebuik (die ook het zgn. Waterstaatsstadhuis op de Markt ontwierp) gebouwd werd door aannemer A . Beuning uit Nijmegen, ter vervanging van het oude uit 1560 daterende kerkje.
    Tot nog toe heb ik een dergelijke opname van de achterzijde van dit kerkje, dat ten tijde van de opname nog niet door geboomte aan het oog was onttrokken, niet gezien.
    De foto werd gemaakt in de zgn. Klooster(covents-)tuinen aan het einde van het kerkhofpad. Deze tuinen waren van de Langekerkstraat door een lange muur gescheiden, die — zij het wat moeilijk - nog zichtbaar is.

    G. BEDEAUX

    2kerken

  • Huissens Stadhuis had zes voorgangers, extra bijdrage van de HKH in 1978 Open or Close

    Huissen, juli 1978, Aan onze leden.

    Hooggeachte Dames en Heren,
    Het is ons een genoegen U hierbij aan te bieden een exemplaar van de uitgave "HUISSENS STADHUIS HAD ZES VOORGANGERS" welke de Historische Kring ten behoeve van en voor rekening van het gemeentebestuur van Huissen heeft verzorgd, ter gelegenheid van de ingebruikneming van het nieuwe stadhuis aan de Langekerkstraat.
    Het werd het gemeentebestuur overhardigd tijdens de installatie van de nieuwe burgemeester.
    In ons aanbod aan het gemeentebestuur was begrepen de beschikbaarstelling aan de Kring van evenzovele exemplaren als de Kring leden telt; vandaar, dat wij U dit exemplaar kunnen aanbieden.
    Het geschrift mogen wij U gaarne ter lezing aanbevelen aangezien het - behalve tal van bekende gegevens over de voormalige "stadhuizen" - interessante, tot nog toe onbekende, bijzonderheden bevat, met name b.v. over een afgewezen plan voor de bouw van een stadhuisje in 1822/23, waarvan tot onze verrassing de ontwerptekening bleek te zijn bewaard.
    Wij hopen U met deze toezending een genoegen te doen en en verbl ijven, met vriendelijke groeten en

    Hoogachting ,
    HISTORISCHE KRING HUESSEN
    - Het Bestuur -


    Huissens stadhuis had zes voorgangers

    Op donderdag, 2 juni 1978 is het nieuwe Huissense stadhuis in de Langekerkstraat — voorheen klooster/ bejaardencentrum en kleuterschool — officieel geopend door de Commissaris der Koningin in de Provincie Gelderland, mr. W. J. Geertsema. Het was bijna veertig jaar nadat één van zijn voorgangers, mr. S . baron van Heemstra, op 9 december 1938, eenzelfde ceremonie had verricht in de tot stadhuis ingerichte voormalige burgemeestersvilla "De Altena" aan de Helmichstraat.
    Deze villa verving op haar beurt het zgn. Waterstaats—stadhuis op de Markt, dat ruim 70 jaar tevoren was gebouwd en met een plechtige raadszitting, doch zonder enige festiviteit en buiten aanwezigheid van de vertegenwoordiger des Konings in de Provincie Gelderland in gebruik was genomen. Op die niettemin feestelijke dag — dinsdag, 3 december 1867 — was een einde gekomen aan een periode van ruim een halve eeuw, waarin de gemeenteraad had moeten bijeenkomen in kamers in particuliere huizen, die als raadszaal" waren gehuurd, terwijl de gemeentelijke administratie was ondergebracht ten huize van de burgemeester.
    Deze lange periode van gehuurde onderkomens was een gevolg van de brand, die de Fransen in januari 1795 in het eeuwenoude stadhuis op de Markt hadden gestoken én van het feit, dat Gedeputeerde Staten van Gelderland in 1823 een plan tot bouw van een (klein) stadhuisje hadden afgewezen Omdat de begroting f 297,80 hoger was uitgevallen dan de aanvankelijk door de gemeenteraad geschatte en aan de Hoofdschout van Overbetuwe opgegeven bouwkosten van f. 500,-.
    Het huidige stadhuis is het zevende in de rij, afgezien van twee tijdelijke onderkomens van de gemeentelijke administratie in de oorlogsmaanden september/oktober 1944 en in de eerste maanden na de bevrijding. Over Huissens voormalige stadhuizen en het afgewezen plan van 1822/23 mogen de volgende historische bijzonderheden worden aangeboden.

    1. Het oudste stadhuis op de Markt
    In elk geval in het midden van de 17e eeuw, doch mogelijk reeds een tweetal eeuwen eerder, was de magistraat gevestigd in de gebouwen op de Markt, die afkomstig heetten te zijn van de Tempelieren, zonder dat tot nu toe het historisch bewijs voor de vestiging van de Tempelridders te Huissen is geleverd kunnen worden. De langs de Markt lopende straat draagt niettemin van oudsher hun naam en ook bij de toenmalige stadsbestuurderen wist men niet beter of de Tempelieren waren de stichters van de gebouwen. Zo schreef burgemeester J.F. Pilgrim (1785—1814) op 4 december 1814 aan de "Landrath des Kreises Rees" :"Schon seit einigen Jahren ist auf die Wacht—Stube, welche eine alte Kapelle der vormaligen Tempelherren, wovon das ganze Rathaus abstammt, gewesen ist...
    Het gebouwencomplex bestond, voor zover bekend, uit een hoofdgebouw en een koepelvormige ( gewelfde) kapel. Afbeeldingen zijn helaas tot nu toe niet gevonden; Wél zijn plattegrondtekeningen uit het eerste kwart van de 19e eeuw aanwezig, waarvan er hier twee worden gereproduceerd. Dat deze gebouwen in elk geval in de 17e eeuw mede als stadhuis in gebruik waren, blijkt uit het feit, dat er melding van wordt gemaakt, dat de protestanten er rond 1611, bij gebrek aan een eigen kerkgebouw, hun godsdienstoefeningen mochten houden , ook al moest de magistraat daartoe aanvankelijk door een Officier van het Brandenburgse garnizoen van Huissen toe gedwongen worden.

    stadhuis1
    De situatie op de Markt in 1809/10 ten tijde van de verlegging van de Stadsdam, naar de "Kaart van de Stadsmuur en dam". (Alg. Rijksarchief, coll. Hingman). Wij hebben met letters de situatie verduidelijkt. A=stadhuis (het is niet precies bekend wat het hoofdgebouw en wat de kapel was) ; B=het Gasthuis; C=het pand, dat in 1867 het huis van "Looman" was geheten (zie "Plan voor bestrating van het stadhuisplein in 1867); D= de zgn. Stadhuistuin.

     stadhuis2

    Aan een ongestoorde behuizing in het stadhuis kwam een einde nadat de Fransen op zondag, 11 januari 1795 waren binnengetrokken en door de Magistraat waren ingehaald. Hetzij vanwege de vinnige kou, hetzij uit louter ballorigheid staken zij de brand in de stadhuis, waarbij o.a. het archief met zijn kostbare stukken verloren ging, "de grond glad was van de was" (van de oorkondezegels) en het stadhuis zware beschadigingen opliep.
    Na enkele jaren moest de magistraat dan ook besluiten om de stedelijke administratie elders onder te brengen en wel ten huize van burgemeester J.F. Pilgrim in de Langestraat (het nu nog bestaande herenhuis, nr. 35 , thans woning— en meubelinrichting B. Steijntjes). Hij ontving daarvoor - "als Huur van het gemeentehuis" — een bedrag van f. 26. . De raad vergaderde toen in de "Stadsherberg", nu nog: Tempelierenstr. 2.
    Het hoofdgebouw op de Markt verkeerde in een dergeli jke toestand van verval , dat het reeds in 1805 Of 1806 van dak en plafonds was ontdaan. Slechts de vier hoge muren waren blijven staan, zoals de burgemeester aan de "Landrath" mededeelde. Wél in gebruik bleef nog vele jaren de oude kapel, als vergaderruimte voor de raad, als archief en als lokaal voor de "Kön. Preuss. Landsturmwacht" . Waterdicht was de kapel echter niet, zoals blijkt uit een incident, dat zich op 23 juni 1806 voordeed toen de broeders van het St. Gangulphusgilde, die in het hoofdgebouw mochten vergaderen, wegens de bouwvallige situatie aldaar naar de kapel waren uitgeweken tégen het uitdrukkelijk verbod van de magistraat in.
    Voor welk vergrijp zij voor de Richter te Zevenaar werden gedaagd: "Da die Broderschaft von Gan:Golfus in Huissen beschuldigt worden ist, dass dieselbe am 23 v. M. gegen den Willen des Magistrats zu Huissen das Archivzimmer hat offnen lassen, sich dieselbe mith einer gewaltsamen Weise bemâchtigt hat... " , aldus Richter Weinhagen

     

     

     

     

     

     

     

     

     

     

     

     

     

    STADHUISKLOK VERKOCHT AAN ANGERSE "GEREFORMEERDE KERK"
    Uit de raadsnotulen van 17 nov. 1820: Is besloten om van den Heer F. C. Cock te Angeren onverwijld terug te vorderen de van de Stad geleende Klok, tenzij hij zich verstond daaroor te betalen Eene gulden per pond... Uit de raadsnotulen van 17 apr. 1822: "De Schout maakte ( ...) bekend, dat de Gebroeders Cock te Angeren ten gebruike der Gereformeerde Kerk aldaar voor de klok van het voormalig Stadhuis hadden geboden Eene Gulden zeventig Cents per Nederlandsch pond (...). Dierhalven besloot de Gemeenteraad om voorbehoudens de Approbatie van het Gouvernement aan de Gebroeders Cock te Angeren de gemelde klok voor het gedane bod over te geven... Ontvangstpost bij de gemeenterekening van I"823: "Wegens een voorbehouden hoogere approbatie, verkogte klok ontvangen van d'Heeren Gebroeders J.en C.Cocqte Angeren wegens een verkogte Klok van het Stadhuys wegend 96 Ponden à 17 Stuiver het het Pond, f. 81,60

     

    Het stadhuisplan van 1822/23

    stadhuis16Het ontbreken van een "echt" stadhuis en de aanwezigheid van een ruïneuze situatie op de Markt irriteerden de vroede vaderen en ongetwijfeld ook de burgers. De raad, onder voorzitterschap van Schout J.J.E. Pilgrim, constateerde in zijn vergadering van 4 juni 1822 "Dat het ter verfraaijing der Stad te wenschen was om tot opbouw van een Gemeentehuis over te gaan terwijl tegelijker tijd dat gedeelte wat van het oude stadhuis nog staat, tot bergplaats der Brandspuiten en Brandgereedschappen die thans tot groot nadeel derzelvens in de Roomsche Kerk worden bewaard, konde worden ingerigt" .
    Een monumentaal gebouw, zoals het vroegere stadhuis ongetwijfeld geweest moest zijn, kon het verarmde en in de schulden stekende Huissen, dat nú jaarlijks f. 8O,- moest betalen voor de "huur van de gemeentekamer" , zich echter niet veroorloven.
    Op zegge en schrijve vijfhonderd gulden werden de bouwkosten geraamd, maar het "gebouw" was dan ook navenant, zoals uit de bewaard gebleven tekening (zie pg. 5) van timmerman-aannemer Hendrik Weitjens blijkt: een eenvoudig huisje, aangebouwd tegen een ander huisje ("het huis van Jan Meyer") en bevattende slechts een kamer voor de raad, een bodekamer, een bergplaats voor de brandweermaterialen, een gevangenhok, een "secreet buiten" en een zolder. Het was een armoedige behuizing, die amper "ter verfraaijing der Stad" kon bijdragen .
    "De kosten van opbouw op vijfhonderd Gulden begroot wordende, zoo vermeende de Gemeenteraad" - aldus de verhandel ingen " dat de Intressen van dat kapitaal, gevoegd bij de kosten van jaarlijksche reparatie en het aanschaffen der nodige meubels, vuur en licht geene tachtig Gulden zouden bedragen. Eindelijk vermeende de Gerneenteraad, dat de finale termijn van betaling behoorde bepaald te worden op den 15en July aanstaande" .
    Op 20 juni 1822 delibreerde de raad opnieuw over de zaak en met name over de financiële aspecten.
    Om de kosten kennelijk zoveel mogelijk te drukken in verband met de mogelijk te verwachten bezwaren van Gedeputeerde Staten, was inmiddels afgezien van het inrichten van het oude stadhuisrestant tot bergplaats voor de brandweer. "Dat ter Delging van de jaarlijksche uitgave van f. 80,- voor Huur van de Gemeente Kamer den Gemeenteraad mogt worden geauthoriseerd om een gedeelte der in de Gemeente Kas voorhandene penningen te bezigen tot opbouw van een nieuw Gemeentehuis hebbende een paar leden van den Gemeenteraad de kosten daarvan door deskundigen laten opnemen en bevonden, dat de kosten van een dusdanig locaal met twee vertrekken mitsgaders eene annexe bergplaats voor de Brandgereedschappen waartoe het thans nog voorhandene gedeelte van het oude raadhuis konde gebezigd worden, niet hoger zouden beloopen dan vijf honderd Gulden, zoodat de Intressen daarvan gevoegd bij het benodigde vuur en licht geene f. 80 . zoue bedragen.
    De laatstgernelde bergplaats beschouwde men als allernoodzakelijkst, daar niet alleen tot groot ongerief maar zelfs tot bederf van het Lederwerk, de brandgereedschappen in de Roomsche kerk bewaard worden, waar men reeds eenmaal uit baldadigheid verscheiden sneden in de slangen heeft gedaan zonder dat de dader heeft kunnen ontdekt worden...
    Met een uittreksel uit de notulen werd het verzoek om toestemming voor de bouw "van een nieuw gemeentehuis uit een gedeelte der in de Gemeente Kas voorhandene penningen" gezonden aan de Hoofd schout van Over—Betuwe te Elst, D.R.S. van Lynden, die het op zijn beurt met advies doorzond aan Gedeputeerde Staten.

    Van Lynden berichtte hun, dat hem daartegen geene bedenkingen zijn voorgekomen, dan alleen dat de opgegeven schatting der kosten van dien opbouw ad f. 500,- door een behoorlijk bestek en begrooting nader zou behooren te worden gestaafd, weshalve ik " — aldus de Hoofdschout — " behoudens die aanmerking vermeen, U EdGrtbr. gunstige dispositie op het voorzegde voorstel te mogen verzoeken" . Van Lyndens advies werd in handen gesteld van de Gecommitteerden tot de finantien, naar aanleiding van wier rapport de Hoofdschout het verzoek kreeg "om van den Gemeenteraad te vragen een behoorl ijk bestek en teekening benevens eene specifieke gedetailleerde begroting van kosten teneinde alsdan daarover nader te kunnen delibreeren"

    "DE STEENEN WORDEN VAN TIJD TOT TIJD WEGGEHAALT EN GESTOOLEN .....

    ... Bij de vorige Regeering is het Oude stadhuis hier in de Stad, hetwelk uit twee kamers bestond en den inval dreigde, op hoogeren ordre van vooren afgebrooken en die daarvan gekomen materialien zijn voor weinig geld opentlijk ten voordeelen van de Stadskas verkogt. Van Agteren is nog een klein Kamertjen overgebleven, waar nog voor en na Raadsverzamelingen gehouden worden.
    Van de groote Kamer voor aan de Markt bleven vier muuren staan waarvan er nu eene is ingestort en de andere drie ook dreigen te vallen waardoor zomwijlen ongelukken voor Menschen konde gebeuren. De steenen van de ingestorte muuren worden van tijd tot tijd weggehaalt en gestoolen..." (Uit brief van Maire J.F. Pilgrim aan de Prefect van het Departement van den Boven-IJssel dd. 21 januari 1812, GAH - OA 20)


    Op de schatting van de gemeenteraad wensten GS niet in te gaan, mogelijk omdat hun het bedrag als onwaarschijnlijk laag voorkwam en zij een overschrijding der kosten - zoals die thans usance is - vreesden.
    Kennelijk heeft men in Huissen met dat nadere verzoek danig in de maag gezeten, want het duurde tot januari 1823 voordat de Hoofdschout bestek, tekening en begroting ontving. De reden van de vertraging laat zich gemakkelijk raden. In plaats van het door de raad geraamde bedrag van f. 500,- kwam de door Hendrik Weitjens op 18 januari 1823 opgestelde "Siering van Kosten tot het Aanleggen en bouwen van een gemeentehuis te Huissen" uit op een bedrag van liefst f. 797.80; een overschrijding met f. 297.80  of bijna 38%.
    Op deze aanzienlijke verhoging leverde de Hoofdschout Van Lynden in zijn brief aan G. S. merkwaardigerwijze geen enkel commentaar. De enige "observatie", die hij meldde, was, "dat in het voors: bestek de reserve van UEdGrtbr. approbatie der aanbesteding verzuimd is, welke dus, behalve andere door U EdGrtbr: goed te vindene verander ingen, eventueel de plaats van het laatste artikel zal behooren te bekleeden" .
    Ook de laatste Huissense zending werd in handen van de "Gecommitteerden tot de finantien" gesteld. Op de brief van de Griffier aan de Gecommitteerden schreef één hunner: "Heeft Huissen schulden ? Zo ja hoe groot is de Som ? Kennelijk omdat op deze vragen antwoord moest worden gevraagd duurde het tot juni voordat Gecommitteerden rapporteerden. Op de brief van de Griffier noteerde Gecommitteerde v. Rechteren: "Te difficulteeren in het verzoek aangezien de Gemeente schulden heeft — nog niet afgedaan zijn" .
    Ged. Staten besloten dienovereenkomstig: "Gezien de Begroting der kosten, in aanmerking dat die kosten, welke volgens het besluit van de Gemeente Raad van den 20 Junij 1822 waren berekend op f. 500,-, volgens de overgelegde Siering f. 797.80 zouden bedragen; In aanmerking genomen, dat de gemeente Huissen nog met aanmerkelijke schulden is bezwaard; Is besloten: In het verzoek van de Gemeente Raad van Huissen te difficulteeren."
    Daarmee waren de Huissense stadhuisplannen van de baan. Het zou 40 jaar duren voordat de raad zich opnieuw met het chapiter "nieuw stadhuis" zou (kunnen) bezighouden.
    Het laatste gedeelte van het stadhuis op de Markt werd tenslotte gesloopt in 1830, blijkens een bevelschrift tot betaling aan J van Binsbergen bij de gemeenterekening van dat jaar: "voor afbraak van het ingestorte gedeelte van het voormalige Raadhuis... "

    Het afgewezen stadhuisplan van 1822/23

    Zó zag het plan tot "het aanleggen en bouwen van een gemeentehuis" er uit, dat timmerman—aannermer Hendrik Weitjens op 18 januari 1823, op verzoek van de gemeenteraad , ontwierp.
    Zijn begroting beliep een bedrag van f. 797,80 hetgeen f. 297,80  méér was dan de bouw volgens de raad zou kosten. Weitjens "Siering van kosten" luidde als volgt: - De matrialen (...) zijn kozijns, glasramen en waterdorpels met werkloon: f 91,60; - Deurkozijnen enz. : f. 121,20; — Vloerenzolders : f. 250,50  - IJzerwerk: f. 10,- ; — Glas en verf: f. 30,- — ; — Metselwerk: f. 294,50; Totaal: f. 797,80.
    In het bestek werd bepaald: "Dit gemeentehuis zal volgens teekening bestaan in een kamer waarin de gemeenteraad vergaderd, voorhuis of gang , bodekamer , gevangenenhok en bergplaats, voor de Brandspuiten en het ook te maken overeenkomstig het dak en frond het huis van "Jan Meyer" .Het zou dus gebouwd worden tegen "het huis van Jan Meyer"  en met een zelfde (simpele) voorgevel.
    Aan de andere zijde woonde, aldus het bestek, zekere Engeraay ("en kozijn in den Zytgevel naast Engenraay aan den zolder", — art.5 . De voorgevel moest "boven de stoep" in nieuw steenen zooals den gevel aan het huis van Meyer" opgetrokken worden, gelijk ook het dak, evenals dat van Meyer, met rode pannen moest worden gedekt. De raadskamer, waarheen ook "de boekekast die in het oude stadhuis staat" moest worden overgebracht, zou een planken vloer krijgen.
    Voorhuis en bodekamer kregen estriken op de vloer, bergplaats en gevangenenhok klinkers. - De door ons ingetekende letters geven aan: A= stoep; B= voorhuis of gang; C= kamer van de gemeenteraad; D= bodekamer; E= bergplaats van het brandweermateriaal; F= gevangenenhok; G= trap en zolderoverkamer; H= het "sekreet , in de volksmond "het huuske" geheten. Aan de achtergevel zgn. bakjes "om de brandhaken en leren op te leggen.stadhuis4

    2. Ten huize Pilgrim in de Langestraat

    Zoals eerder vermeld werd de gemeentelijke administratie enkele jaren na de brand in het stadhuis op de Markt overgebracht naar het woonhuis van burgemeester J.F. Pilgrim.
    Het is het nog bestaande herenhuis Langesr. 35/37, waarin thans woning— en meubelinrichting met woning van de Heer B. Steijntjes is gevestigd. In dit pand, waarvan de voorgevel in latere jaren ten behoeve van winkelvestiging helaas werd verbouwd, bleef het "stadhuis" rond een halve eeuw gevestigd, namelijk tot het voorjaar van 1863.
    Het herenhuis Langestraat 35/37, dat, naast burgemeesterswoning,
    Burgemeester J. F. Pilgrim was op 26 maart 1814 als Koninklijk Pruisisch Burgemeester opgevolgd door zijn zoon Jeremias Jacobus Ernst, die van 1812 tot begin 1814 — aldus zijn eigen biografische gegevens — reeds de Mairie Huissen voor deszelfs vader geadministreert" had en bij de overgang naar de Nederlanden op 1 juni 1816 burgemeester-secretaris was gebleven en op 27 november 1817 door Koning Willem I officieel als schout en secretaris van Huissen was benoemd. In 1850 - hij was toen 63 jaar - werd hij als burgemeester en secretaris opgevolgd door zijn zoon, de 26—jarige Johannes Andreas Theodoor. Deze bleef als vrijgezel inwonen bij zijn vader, die sinds 1818 ook het ambt van notaris bekleedde. Als eigenaar en hoofdbewoner bleef de oud—burgemeester de vergoeding voor verhuur van de "gemeentekamers" ontvangen.
    stadhuis6

    3. Ten huize Bergsma in de Langestraat

    In de raadsvergadering van 28 februari 1863 gaf burgemeester J.A.Th. Pilgrim te kennen, dat "hij hoogstwaarschijnlijk in het laatst der maand Maart of in het begin der maand April van woning denkt te veranderen, weshalve hij in verband daarmede het voorstel doet, om de Gemeente-Secretarie als dan gelijktijdig onder te brengen naar het huis van I.J. Bergsma in de Langestraat Wijk A no. 83 alswelk zich bereid verklaard heeft om voor dezelfde geldelijke tegemoetkooming als de Heer J.J.E. Pilgrim daarvoor tot hiertoe heeft genoten, de ene voorkamer regts voor kantoor en de andere voorkamer links voor het houde der Raadsvergaderingen en voor het voltrekken van Huwelijken aftestaan."
    In de notulen werd aangetekend: "Zulks tot geene deliberatien aanleiding gevende" De aangekondigde verhuizing hield verband met het voorgenomen huwelijk van de toen ruim 38—jarige burgemeester J.A.Th. Pilgrim met de elf jaar jongere, eveneens te Huissen geboren Ida JohannaBergsma, dochter van de "particulier" Petrus Adrianus Bergsma en Huiberdina Dingena Appel.
    Het huweijk had op 15 maart 1863 plaats, waarna het paar zich vestigde ten huize van de bruid, "Langestraat Wijk A no. 83" . Dit pand zou laastelijk — tot het brandbombardement van 13 op 14 mei 1943 - bewoond worden door mej. A. Houtkoper, die was opgegroeid bij Ida Bergsma en haar tweede echtgenoot, Cornelis Leonhard Pilgrim, broer van de overleden burgemeester.
    Het pand werd bij het brandbombardement getroffen en werd na de bevrijding gesloopt. Het stond op de plaats van het huidige dubbele woonhuis Langestraat 18/20, tussen de Hervormde Pastorie en fa. Broekman. De huisvesting van het "stadhuis" in het pand Langestraat "Langestraat Wijk A no 83" zou slechts van korte duur zijn. Op 30 augustus 1865 reeds stierf burgemeester J. A. Th. Pilgrim, drie dagen zijn 41e verjaardag. Met zijn heengaan kwam tevens een einde aan een 80-jarige Pilgrim—burgemeestersperiode.

    4. In „de Kerkstraat op nr. A63"

    Reeds op 14 oktober 1865 werd een opvolger benoemd: Coenraad Vemer, die op 30 oktober door loco-burgemeester W. Goris werd geinstalleerd. Hij vestigde zich in de Kerkstraat "Wijk A no 63" dat eigendom was van het raadslid A.J.L. Baron van Laer van Hoenlo. "Wijk A no 63" was toen waarschijnlijk het huidige pand Kortekerkstraat 2.
    Zekerheid bestaat daaromtrent - wegens gebrek aan exacte gegevens - niet. Ook ten huize van de nieuwe burgemeester werd nu het "stadhuis" gevestigd. Dat blijkt uit de raadsvergadering van 30 april 1857, waarin wethouder Putters mededeelde, "dat met ultimo April het huurcontract der Raadszaal en secretarie tusschen deze Gemeente en den (inmiddels overleden) Heer Verner komt te vervallen" .
    In zijn vergadering van 25 november 1865 werd door de raad kennisgeving aangenomen de mededeling van het Dagelijksch Bestuur, dat , met het oog op art. 131 van het Burgerlijk Wetboek, de Raadzaal en de secretarie zijn overgebragt in een gedeelte van het huis staande in de Kerkstraat A No 63"c. (Art. 131 BW bepaalde o.a.: "Het huwelijk zal in het Openbaar in het huis der gemeente) worden voltrokken")
    In de raadsvergadering van 22 februari 1866 vroeg Verner toestemming tot het aanschaffen van "bureaumeubilair" aangezien ten huize van de Pilgrims als gemeente-eigendom slechts aanwezig waren "eene schrijftafel en twee boekenkasten"
    Totdat het nieuwe stadhuis 'op de Markt kon worden betrokken bleven zaal en secretarie in de Kerkstraat gevestigd, ook nadat burgemeester Verner op 28 februari 1867 was overleden. Eigenaar Baron van Laer van Hoenlo was bereid om "voorloopig op den ouden voet en wel van maand tot maand het bestaande huurcontract" te continueren.

    stadhuis5

    Gezicht vanuit de Langestraat op de Markt toen het stadhuis er reeds was gebouwd. Het 4e (hoogste) huis van links is het pand waarin tussen 1863 en 1865 het "stadhuis" was gevestigd ("ten huize Bergsma").
    Rechts: de "Gelderse gevel". - Schilderij van Kees Berendsen


    5. "Waterstaatsstadhuis" op de Markt

    Het ontbreken van een "echt" stadhuis en het zich moeten behelpen in gehuurde kamers was, zeker voor de jonge vrijgezel—burgemeester, inwonend bij zijn vader de oud—burgemeester, een weinig "magistrale" entourage. Het duurde echter twaalf jaar na zijn ambtsaanvaarding voordat hij een poging waagde om plannen voor de bouw van een stadhuis ter tafel te brengen. Ongetwijfeld kende hij, behalve de minder florissante positie van de gemeentel ijke financiën, ook de zuinigheid van de raadsleden, van wie met name de grootgrondbezitter Baron van Laer van Hoenlo er steeds voor waarschuwde om de gemeente op kosten te jagen.
    In de raadsvergadering van 25 juni 1862 deed burgemeester Pilgrim tenslotte het "voorstel om eene teekening en begrooting te doen maken voor het bouwen van een gemeentehuis" Echter tevergeefs, want het voorstel werd "wegens de onvoltalligheid der vergadering aangehouden tot de volgende vergadering".
    Wat Pilgrims voorstel precies behelsde wordt in de notulen niet uit de doeken gedaan. Wél blijkt, dat er toen, behalve het pand van de kuiper Hent Looman (zie de tekening op pg. 12) , ook nog het "pand van Vrouw Harderwijk" op de Markt stond. Waar het precies stond is niet bekend. De bewoonster en huurster heette Derkje Gerritse Boomhof huisvrouw van P. van Harderwijk en uit de van de raad blijkt, dat men er aanvankel ijk over heeft gedacht om dit huis tot stadhuis te verbouwen. In de vergadering van 30 augustus 1862 stelde burgemeester Pilgrim — zonder dat in de notulen van zijn oorspronkelijke voorstel met name gerept wordt — aan de orde "de bestemming die men denkt te geven aan het huis op de Markt". 

    DE "SCHUP" EN DE STENEN...
    In het houten torentje op het stadhuis bevond zich, behalve een uurwerk, ook een klokje. Wegens het eigenaardige geluid, dat het produceerde, droeg het in de volksmond de naam "de schup"....
    Aan weerszijden van de hoofdingang bevond zich een gedenksteen. Tegen een inscriptie had zich een raadslid verzet zonder dat nu de reden daarvan valt te achterhalen.
    In de raadsnotulen van 19 nov. 1867 vinden we erover aangetekend: Wordt ter tafel gebracht een door den architect Fijnebuik opgemaakt concept opschrift voor de gedenkstenen (...) en wel op den steen links: "De eerste steen gelegd door W.S. Goris fungerend Burgemeester den 8 April 1867" ; en op den steen regts: In ontvangst genornen door C.T. Kolfschoten Burgemeester, W.S. Goris en F.E. Putters Wethouders den 3en December 1867", welke inscriptie met 10 tegen 1 stem, zijnde die van den Heer Boerboom, aldus worden goedgekeurd..."


     "De heer van Laer" — aldus de notulen — " doet daarop het voorstel om, alvorens daaromtrent eene beslissing te nemen, door eene commissie te doen onderzoeken of het tegenwoordige gebouw niet met weinige kosten voor gemeentehuis kon ingerigt worden, zich daartoe zoo noodig van een deskundige te bedienen en den Raad daaromtrent te dienen van berigt en raad. Welk voorstel nadat daarover nog onderscheidene het woord gevoerd hebben, met 9 tegen 2 stemmen, is aangenomen en vervolgens als leden der commissie door den Voorzitter benoemd de Heeren Baron van Laer, Putters en G. Jansen". Het duurde tot de vergadering van 11 februari 1863 voordat de cornmissie verslag uitbracht. Zij adviseerde "om in het financieele belang der gemeente, den bouw van het gemeentehuis vooralsnog onbepaald uit te stellen maar om daarentegen te trachten hetzelve (het huis) voor 3 jaren tegen een verhoogde huur te geven aan de tegenwoordige bewoonster, wijders om het huis uitwendig te doen verwen en eenige uitbreiding en verbetering van het (annexe) brandspuitenhuisje te doen bewerkstelligen" .
    Bœgemeester Pilgrim, die meedeelde, dat de bewoonster "niet ongenegen was om het huis tegen de verhoogde pachtsom in huur te nemen", zei van mening te zijn, "dat de financieele toestand over drie of latere jaren niet voordeeliger zal zijn als nu, daar er toch voor dit geval zoowel nu als later speciale voorzieningen dienen genomen te worden" . De voorgestelde verbetering van het brandspuitenhuisje achtte hij tenslotte maar een halve maatregel. De burgemeester kreeg medestanders in de raadsleden Smit, Goris en Van Gent. Het commissielid Baron van Laer echter verdedigde het voorstel van de commissie. Hij beschouwde de financiële toestand der gemeente niet genoeg om tot de bouw van een gemeentehuis te kunnen besluiten en wilde daarom "de gemeente niet bovenmatig belasten" .
    Hij verklaarde zich echter wel bereid om het voorstel van de commissie in zoverre te wijzigen, dat "wanneer de gemeente een ander geschikt locaal tot bergplaats der brandspuiten kan huren, alsdan van de verbetering en uitbreiding van het brandspuitenhuisje te willen afzien. Met S tegen 4 stemmen werd daarop besloten om tegen de met f. 20. verhoogde huurprijs van f. 160. voor drie jaar het huis weer te verhuren aan " Vrouw Harderwijk". Het huurcontract zou derhalve april 1866 eindigen en intussen kon men zich dus bezighouden met de plannen voor de bouw van een nieuw stadhuis. Op 30 augustus 1865 stierf burgemeester J.A.Th. Pilgrim en op 14 Oktober werd zijn opvolger benoemd, Coenraad Vemer. Echter, nog voordat hij - op 30 oktober — werd geïnstalleerd, nam de raad , onder voorzitterschap van loco—bugemeester W. Goris, een belangrijk besluit...

    stadhuis8stadhuis9

    In de vergadering van 19 oktober stelde Goris aan de orde "de te geven bestemming van het huis op de Markt bewoond door Vrouw Harderwijk" . De notulen vermelden dan: "De Heer Smit stelt aan de vergadering voor om bij het eindigen der huur op primo Mei aanstaande tot geene verdere verhuring over te gaan en inmiddels eene teekening met bestek benevens eene begroting van kosten tot het bouwen van een gemeentehuis door een deskundigen te doen opmaken. De Heer van Laer meent het raadzamer om met het oog op de finantiele toestand der Gemeente, welke welligt door de herziening van het belastingstelsel niet verbetert wordt, alsnog met het daarstellen van een Gemeentehuis een jaar te wachten. Na dupliek wordt het voorstel van de heer Smit in stemming gebragt en met 8 tegen 2 stemmen aangenomen. Ten gevolge van die aanneming wordt het dagelijksch bestuur door den raad gemagtigd om omtrent het opmaken van eene teekening en bestek en eene begrooting van kosten met den Heer Fijnebuik opzigter van de Waterstaat 1e klasse te Arnhem in overleg te treden en onder overlegging van een en ander hiervan aan den raad verslag. te doen, terwijl verder besloten is tot het maken van het bestek de navolgende gegevens vast te stellen:
    Het Gemeentehuis zal bestaan uit:
    a. Een zoogenaamde sousterrain bevattende eene woning voor den bode, 2 gevangenisvertrekken, eene kamer voor de nachtwacht, een bergplaats voor de brandbluschmiddelen , een dito voor materialen van de Gemeente en voor brandstoffen.
    b. Eene zoogenaamde belle étage bevattende eene raad- en eene commissiekamer en suite, eene Kamer voor de secretarie , eene Kamer voor den Burgemeester, eene Kamer voor het archief en wachtkamer , en
    c. Eene gelegenheid tot plaatsing van een uurwerk.
    Na deze machtiging van de raad nam het dagelijks bestuur contact op met de heer S .A.Feynebuik, waarmee Huissen een stadhuis zou krijgen in de zgn. Waterstaatsstijl, waarmee wordt aangeduid de (Neo-klassistische) stijl, waarin in die tijd onder leiding van ingenieurs van de Waterstaat gebouwen van openbaar nut werden opgericht.
    De raad besloot jn zijn vergadering van 22 februari 1866 om de maximum bouwkosten op f. 13.000  te bepalen en bij brief van 15 maart zond Feynebuik zijn ontwerptekening in, waarvan helaas geen exemplaar meer werd aangetroffen.
    Hij verschafte er de volgende toelichting bij: "De plaats waar dit gebouw wordt gesteld opgetrokken te zullen worden; is ten Oosten van het Marktplein, zoo als dit door eene roode kleur op de Situatie-teekening is aangewezen. Tot opheldering van het plan strekke: dat als beganen grond is aangenomen de hoogte van den tegenwoordigen grondslag en dat de halve kelderverdieping zal worden verkregen door den grondslag vóór het gebouw met 0.90 el of iets meer te verhoogen.
    Het plan van den beganen grond en der 1e verdieping is zoo ik yertrouw door de renvooien voldoende opgehelderd . Omtrent het plan van den beganen grond merk ik echter nog op, dat het vertrek No. 1 wordt geacht slaapkamer, No. 2 keuken en No. 3 woonkamer te zijn. De zolder boven het middendeel van het gebouw is bestemd voor berging van materialen van de gemeente, het archief, het plaatsen van een uurwerk enz. De kosten van het gebouw worden door mij globaal geschat Op f. 10.000.--."
    In de vergadering van 24 maart 1866 hield de raad zich met het ontwerp bezig. Met 7 tegen 3 stemmen werd het plan "in het algemeen" goedgekeud, maar nietternin werd de ontwerper verzocht om de volgende wijzigingen aan te brengen:
    1e. het terrein waarop het gebouw moet komen te staan, dient in het algemeen te worden opgehoogd;
    2e. zoo eenigzins mogelijk de buitentrap binnen in te brengen. De daardoor vervallende gevangenissen kunnen gevonden worden door het daartoe bezigen van een der vertrekken van den bewaarder;
    3e. het sousterrain dient eene hoogte te hebben van 2.50 El;
    4e. 0e Raadkamer is te klein; dezelve dient eene lengte te hebben van 8 en eene breedte van 6 ellen; Misschien kan zulks gevonden worden door de vestibule en de kamers regts en links te verkleinen, of wel het gebouw in het algemeen dieper te maken;
    5e. Gaarne had men een toren waarin een uurwerk met slaanden klok;
    6e. het voorfront komt te eenvoudig voor; hetzelve dient te worden verfraaid door het aanbrengen van palmetten en pilasters van een halve steen op de zijden;
    7e. Gaarne zag men de muren van het sousterrain en de lijst boven de belle êtage met hardsteenen platen belegd en de kozijen van hardsteen;
    8e. Bij onmogelijkheid de trap van binnen aan te brengen, moeten stoep en trappen van hardsteen zijn en zag men gaarne op de stoep twee ijzeren pilaren, kunnende dienen tot verlichting en aan de beide Zijden eenen ijzeren leuning;
    9e. wordt in overweging gegeven of er mogelijkheid bestaat de stoep te voorzien van een soort van dak tot het kunnen doen van afkondigingen;
    10e. In de keuken moet eene pomp geplaatst worden.
    Feynebuik wijzigde het plan naar de wensen van de raad, die tenslotte in de vergadering van 21 augustus 1866 zijn zegen gaf aan het definitieve ontwerp.
    Feynebuik stapte reeds naar drukker Van der Wiel in Arnhem om het bestek en de aankondiging der aanbesteding te laten drukken. Maar de burgemeester moest hem er ijlings op wijzen, dat eerst nog de goedkeuring van Ged.Staten op 's Raads plannen noodzakelijk was. Op 20 september 1866 nam de Raad dan formeel het besluit, strekkende "om een Raadhuis daar te stellen tegen de geraamde bouwkosten van f. 12.380.--" en reeds op 25 september volgde de goedkeuring van Ged.Staten
    In de overwegingen tot dat besluit, waarin Gedeputeerde Staten hun fiat hechtten "aan de geraamde kosten van bouw ad f. 12.380.--" werd tevens notitie genomen van het feit, dat al verder zal worden overgegaan tot de afbraak en benuttiging van het te dien einde in der tijd aangekochte huis, gelegen op de groote markt gemerkt A no. 104 ; het huis van "Vrouw Harderwijk" .
    Het dekkingsplan van de gemeente zag er als volgt uit:1e Uit het te gelde maken eener som van f. 8400,-- 3% Nationale werkelijke rentegevende schuld, berekend tegen een waarde van 66% : f. 5.550. — ; 2e een gedeelte van het batig saldo der rekening over 1865 ad f. 1.000.--; 3e. de opbrengst van den verkoop in dit jaar van een gedeelte der Valomsche straat: f. 550. —; 4e. den verkoop van een gedeelte der zoogenaamde Breedestraat, groot ruim 2 bunders, geschat op eene waarde van f. 1.8OO.-- per bunder en zijnde dit jaar verpacht voor eene som van f.140.-- : f.3.600.--; 5e. den verkoop van den zoogenaamden Doelentuin, groot 12 roeden, 10 ellen, geschat op eene waarde van f. 1.000.--, zi jnde verpacht voor f. 38.-- per jaar; 6e. den verkoop van den zoogenaamden Secretarietuin, groot 14 roeden SO ellen, geschat op eene waarde van f. 700.--" , totaal f. 12.400.--.
    Op 11 oktober 1866 had de aanbesteding plaats, waarbij de Huissense aannemers G.J.Weitjens (zoon van de aannemer van "1822/23") en H.W.Jansen als laagste inschrijvers uit de bus kwamen met een bedrag van f. 11.499,--  voor het afbreken van twee gebouwen (het huis van Vrouw Harderwijk en het annexe brandspuitenhuisje) aan de zuidoostzijde van het Marktplein en het inplaats bouwen van een "Raadhuis" .
    stadhuis11stadhuis10


    Tijdens de bouw van het stadhuis trof de gemeente opnieuw een verlies: het plotseling overlijden van burgermeester C. Verner op 28 februari 1867. Het was dan ook de loco—burgemeester, wethouder W. Goris, die op 8 april d.o.v. de eerste steen legde. Enkele dagen later, op 16 april, werd Verners opvolger benoemd: de Arnhemse candidaat-notaris Constantijn Theodoor Kolfschoten.
    Op dinsdag, 3 december 1867 tenslotte kon het nieuwe stadhuis-op-de-Markt plechtig in gebruik worden genomen tijdens een buitengewone zitting van de raad, waarvan toen deel uitmaakten: N.van Gent, H.F.Boerboom, W.Goris, J.H.Smit,H.R.Cremer, Baron van Laer van Hoenlo, C.Meeuwsen, P.van Os, G.Jansen, F.Janssen en F.E.Putters.
    De toespraak, die burgemeester Kolfschoten toen hield, drukken wij hier curiositeitshalve in extenso af.

    Een gemeentegebouw waarop het oude Huissen met regt trotsch zal mogen zijn'

    Toespraak van burgerneester C. T. Kolfschoten in de "buitengewone vergadering van den Raad der Gemeente Huissen bij gelegenheid der inauguratie van het nieuwe Gemeentehuis op Dingsdag den 3. December 1867" .
    "Mijne Heeren Wethouders en Secretaris, leden dezer Gemeenteraad en verdere ingezetenen van Huissen hier tegenwoordig. stadhuis12
    Een aangenamen indruk zal het gewis op ons allen teweeg brengen, wanneer wij bedenken, welke plegtigheid wij geroepen zijn hier thans te volvoeren; aangenaam moet het ons zijn, wanneer wij nagaan, welke de oorzaak dezer plegtigheid was, welke hare gevolgen zullen zijn. Het is nu ongeveer acht maanden geleden dat Huissen getuige was van de eerste plegtige steenlegging tot dit gebouw, hetwelk wij thans inaugureren; tot dit gebouw, waarin voortaan de belangen der gemeente en van hare ingezetenen behandeld en beslist zullen worden.
    De behoefte aan zulk gebouw, aan zulken tempel, waar die belangen aan het oordeel van hen, die door U allen geroepen zijn om ze voor te staan, zouden onderworpen worden, was sints lang gebleken, sints lang gevoeld. Tijds- en andere omstandigheden van finantieelen aard, waren echter oorzaak, dat in die behoefte niet voorzien kon worden. Drukkende tijden, drukkende jaren trokken ook over Huissen heen; jaren van ziekten onder de menschen en onder de voortbrengselen van den landbouw teisterden ook deze gemeente en gedoogden niet, dat door het Bestuur de handen aan het werk werden geslagen tot het daarstellen van een voegzaam gemeentehuis. Langzarnerhand echter begonnen aan den horizont der tijden, wêer heldere dagen te verrijzen. De vreeselijke ziekten begonnen allengskens hun kwaardaardig karakter te verliezen, landbouw en veeteelt bloeiden weer ongestoord, terwijl de vijf onder deze gemeente opgerigtte steenfabrieken voor menigen ingezetene dezer gemeente de gelegenheid daarstelden, om zich op eerlijke wijze een goed bestaan voor zich en de zijnen te verschaffen en bovendien bij spaarzaamheid en vlijt iets voor den naderenden winter over te leggen. Deze gunstige wending der zaken was dan ook de oorzaak, dat het Bestuur dezer Gerneente ten vorigen jare zich in de gelegenheid gesteld zag, den bouw van dit raadhuis te ontwerpen en aan ongetwijfeld aller wensch te voldoen om aan het oude Huissen een gemeentegebouw te verschaffen, dat het ten sieraad zal verstrekken en waarop het met regt trotsch zal mogen zijn.
    Ook de gevolgen, die het bestaan van dit gebouw na zich zal slepen, zullen voorzeker voor deze gemeente zegenrijk zijn. Hoe meer toch eene plaats in bloei toeneemt, hoe fraaijer en sierlijker ze zich uitwendig vertoont, zooveeI te meer zal ze hare aandacht tot zich trekken, vreemden aanlokken zich hier te vestigen, daardoor het verkeer en de beschaving in die plaats doen toenemen en hare welvaart bevorderen. Hiervan immers kunnen de laatste jaren voldoende getuigen zijn. Huissen mag er trotsch op zijn, boven en behalve dit raadhuis in den laatsten tijd in zijnen schoot gebouwen en instellingen te hebben zien verrijzen, die den bloei en vooruitgang dezer Gemeente op onmiskenbare wijze bevorderden en aanwakkerden.
    Ik heb U , Mijne Heeren, hier slechts te wijzen op het kloostergebouw der Paters Dominicanen, waar niet slechts zoo menige behoeftige onder onze medeburgers troost en ondersteuning vindt maar waardoor ook het verkeer naar deze plaats heeft toegeromen; ik heb U nog slechts te wijzen, — om van de andere nuttige instellingen niet te spreken — op de kostschool van den Heer Wansink, aan wiens kundige leiding ouders van heinde en verre hunne kinderen toevertrouwen om ze tot nuttige leden der maatschappij te vormen, aan welke instelling voorzooveel verschuldigd is, door de behoefte, die zij met zich sleept en aan menigen onzer medeburgers het dagelijksch brood verschaft, terwijl zij bovendien menigen vreemdeling herwaarts trekt.
    Ook voor ons, Mijne Heeren Wethouders, Secretaris en leden van den Gemeenteraad, zal dit nieuwe gebouw voorzeker niet zonder gevolg wezen. Ge hebt voorzeker, evenals ik, toen ge zoo even voor het eerst den drempel van dit nieuw gebouw betraadt, nogmaals U den eed in het geheugen geroepen, dien gij bij de aanvaarding Uwer betrekking aflegdet, dat gij de belangen dezer Gemeente met al uw vermogen zult voorstaan en bevorderen; gij hebt U , toen gij voor het eerst deze raadzaal binnentraadt en het beeld van onzen beminden vorst aanschouwdet voorzeker met mij den afgelegden eed van trouw aan de Grondwet en aan de wetten des Rijks wederom te binnen gebragt en ophieuw het voornemen gevormd om met verjongden ijver en kracht en gesteund door de goede gezindheid, de welwillendheid en het vertrouwen der burgerij, met vereende krachten Huissens belangen en die zijner ingezetenen te blijven bevorderen. Laten wij aan die pligten hier opnieuw trouw zweren, laten wij de eensgezindheid, eerlijkheid en trouw, in één woord alle christen- en burgerpligten onder onze medeburgers helpen aankweeken, laten wij hen door ons voorbeeld aanzetten om het goede te doen,het kwade te laten en laat ons voornamelijk de beschaving voorstaan. Wij mogen ons verheugen binnen deze muren scholen voor lager onderwijs te bezitten, waar door ijverige en geschikte personen grondig onderrigt gegeven wordt, waar door behoeftige kinderen dezer gemeente gratis onderwijs kan bekomen worden, doch, helaas!, hoevele kinderen zien wij langs de straten slenteren en hunne jeugd nutteloos laten voorbijgaan. Laat ons de ouders van zulke kinderen door woorden en gepaste middelen aansporen om hunne kinderen vlijtig ter school te zenden, laten wij hen wijzen op het groot voordeel dat in kunde en beschaving gelegen is, laten wij hen opbeuren uit dien slaap van onverschilligheid en achteloosheid, opdat zij er zich eindelijk op mogen toeleggen om de kinderen, waarvoor zij verantwoordelijk zijn, tot werkzame en nuttige leden van de maatschappij, tot heil van hen zelven, tot nut van vorst en vaderland op te voeden.
    Zoo doende Mijne Heeren kan het niet anders Of onder Gods besten zegen, zal het Huissen welgaan en zal Huissen wederom eenmaal een straal van dien ouden luister deelachtig worden, waarmede het in de oude geschiedrollen dezer streken staat aangeteekend.
    Ten slotte een woord van warmen dank aan U , Mijne Heeren leden der bouwcommissie van dit Raadhuis. Gij hebt U veel laten gelegen liggen, moeite noch zorg gespaard om dit gebouw op soliede, hechte en voordeelige wijze voltooid te krijgen. Ontvangt daarvoor onzen dank. Weest lange jaren met de uwen nog getuigen van het werk, dat ge onder uw toezigt tot heil dezer gerneente hebt helpen tot stand brengen. Hulde en dank zij ook den Heeren ontwerper en aannemers van dit gebouw. Dat ook zij nog lange jaren met welgevallen op hunnen voltooiden arbeid mogen nederzien en dat het werk zijne meesters nog in hunnen grijzen ouderdom moge kroonen.
    lk eindig deze toespraak Mijne Heeren, met den luiden wensch, dat deze opening van dit gebouw lange jaren onder het heilrijk bestuur van het geëerbiedigde Hoofd van Onzen staat, onzen beminden Koning Willem de Derde, rijke vruchten van zegen en voorspoed, van bloei en welvaart voor deze gemeente en ons allen moge opleveren.
    Heil onzen Koning ! Heil de gemeente Huissen !
    stadhuis13

    6. „De Altena": stadhuis buiten de stad

    Na burgemeester C.Th. Kolfschoten zag het "Waterstaats—stadhuis op de Markt de volgende burgemeesters verschijnen: P.J. Masion (1876 - 1886) , mr. A.E.J. Baron van Voorst tot Voorst (1887 - 1893), W.M.Helmich (1893 - 1934) en mr. C.M.J. Dany (vanaf 1 juni 1934).
    Enkele jaren nadat laatstgenoemde zijn ambt had aanvaard constateerde hij, dat het toen 70 jaar oude gebouw te klein was geworden voor het zich uitbreidende ambtenarenkorps. Bovendien echter bleek het scheuren te gaan vertonen e.d.,in elk geval niet meer geschikt te zijn voor restauratie uitbreiding.
    Besloten werd naar een andere huisvesting om te zien, het oude stadhuis te slopen en op de Markt een ander openbaar gebouw — een brandweerremise - te stichten. Het oog viel op de villa "De Altena" met bijbehorende grond aan de Steenstraat (thans Helmichstraat), die de inmiddels overleden burgemeester W.M. Helmich voor zijn grote gezin had laten bouwen.
    Met de familie Helmich werd overeenstemming bereikt over een aankoopsom van f. 20.000.- De gemeenteraad besloot daarop op 13 mei 1938 tot aankoop over te gaan en "het huis na geringe verbouwing, in te richten tot gemeentehuis, waarin tevens een centrale verwarming zal worden aangelegd, terwijl het oude gemeentehuis zal worden afgebroken en de afbraak, alsmede de overblijvende (in 1866/67 opgehoogde) grond , na verruiming van het Marktterrein zal worden verkocht".
    De totale kosten van het project beliepen: aankoopsom f. 20.000.- , transportkosten f. 606.- ,verbouwingskosten f. 1.500 — , totaal f. 22.106.- .
    Dit bedrag moest worden verminderd met: opbrengst van de afbraak van het oude gemeentehuis f. 606.-, nader geschatte waarde van de overblijvende grond gelegen nabij hef oude gemeentehuis na verruiming van het Marktterrein : f. 2.500.-, totaal f. 3.106.-, zodat netto resteerde f. 19.000.—. Daarbij kwam nog eens een bedrag van f. 1.900.- wegens kosten aanleg centrale verwarming. Voor beide bedragen werden geldleningen aangegaan. De eerste ( f. 19.000.-) had een looptijd van veertig jaren; d.w.z. tot 1978!
    De verhuizing naar "De Altena" betekende, dat voor het eerst in Huissens geschiedenis een stadhuis buiten de wallen van het oude stadje werd gevestigd; een door vele burgers betreurd besluit.
    stadhuis15Op 30 september 1938 had de plechtige opening van het nieuwe stadhuis plaats door de Commissaris der Koningin in de Provincie Gelderland,mr.  S. Baron van Heemstra.
    Bijna veertig jaar later zou het worden gesloopt en zou het gemeentebestuur "binnen de wallen" terugkeren, zij het niet op de historische plaats, de Markt.
    "De Altena" bleef in de eerste vier oorlogsjaren ongestoord als stadhuis fungeren en — in de eerste oorlogsjaren - tevens als centrale waarnemingspost voor de Luchtbeschermingsdienst. Voor de huisvesting van de Distributiedienst bood het geen plaats, zodat deze achter het stadhuis in een voormal ig schuurtje werd ondergebracht, waar zich ook het gevangenhok bevond. Op dinsdag, 5 september 1944 (Dolle Dinsdag") werd het stadhuis door de Duitsers gevorderd om te worden ingericht als lazaret van de "Gesundheidsdienst" van de te Huissen gelegerde eenheid "Feldpostnr. 19.992" van de "Reichsarbeitsdienst", ingediend bij de luchtafweerdienst. De volgende dag was de inrichting van het lazaret voltooid: de burgemeesterskamer als zitkamer voor de verplegers, de secretariskamer als bureau van de stafarts, die de kamer van de afd. bevolking als zijn zitkamer gebruikte. De kamer van de hoofdcommies en commies werd "Krankenstube!" en in het ontvangerskantoor vestigde de "Unterfeldmeister" zijn bureau. De commissiekamer werd operatiekamer en de raadszaal tot " Krankenstube II" bestemd. Het verplegend personeel richtte slaapkamers in op de kamer, waar het materiaal en het financieel archief waren ondergebracht. De gemeentesecretarie werd ingericht in het gevangenlokaal in het gebouwtje van de distributiedienst, terwijl voor de waarnemend burgemeester een spreekkamerruimte werd gevonden in het leegstaande bijkantoor van De Gelderlander in het pand van Hotel De Gouden Engel tegenover het Stadhuis. In de nacht van 17 op I8 september 1944 werd het lazaret ijlings weer ontruimd, waardoor "de Altena" - op 20 september — opnieuw voor de gemeentelijke diensten kon worden ingericht. Op 2 oktober liep "De Altena" 's morgens tijdens zwaar artillerievuur lichte schade op. Bij het zware bombardernent 's middags viel er een bom juist naast de aan de noordzijde van het gebouw gelegen secretaris- en bodekamer, waardoor dit gedeelte van het stadhuis werd ontwricht. In het park achter het stadhuis viel een drietal bommen. Vanaf die dag werd "De Altena" niet meer als stadhuis gebruikt. De afdelingen burgerlijke stand en evacuatie werden toen ondergebracht in het als centraal noodhospitaal ingerichte Dominicanenklooster tot aan de algehele evacuatie van de gemeente op 23 oktober 1944. In dit klooster vond het gemeentelijk bestuursapparaat in de eerste maanden na de bevrijding, na de terugkeer van de burgers uit de evacuatie, eveneens onderdak, totdat het gehavende stadhuis "De Altena" weer in gebruik kon worden genomen. stadhuis14
    Nog ruim dertig jaar zou de voormalige — intussen uitgebreide en intern verbouwde - burgemeestersvilla dienst doen als stadhuis; jaren van wederopbouw, jaren ook van soms hoog oplaaiende lokaal-politieke emoties, tijdens welke het zelfs eenmaal aan "bestorming" bloot stond.
    Na mr.C.M.J.Dony (tot 1 febr. 1947) "zag" De Altena als burgemeesters:F.Th.C.M.Terwindt (1947—1966), drs. A.Stadhouders (1967—1972) en H.J.J.Aalders (1972—1978). In de "burgemeesterloze tijdvakken" traden waarnerners op (W.van Elk en H.M.Oldenhof) . Onder burgemeester Aalders werd tenslotte het besluit genomen te verhuizen naar het huidige gebouwencomplex. Enkele dagen na de verhuizing was stadhuis/villa "De Altena" van de aardbodem verdwenen.

     

  • Halve eeuw geleden: molensloop Uit Mededelingen jaargang 4, nr. 4/5 (1978/79) Open or Close


    Halve eeuw geleden: molensloop
    Uit Mededelingen jaargang 4,  nr. 3 (1978/79)

    Een halve eeuw geleden voltrok zich te Huissen het drama, waarover ieder rechtgeaarde Huissenaar zich nog steeds kan opwinden: de sloop van de torenmolen in de Stadsmolendel , aan de overzijde van de Stadsdam, tegenover het Dominicanenklooster. (Voor geschiedenis en uitvoerige beschrijving zie: G.W.C. van Wezel , De cilindrisch gemetselde molen te Huissen, in Bijdragen en Mededelingen van Gelre,dl.LXVIII, 1975). Allerlei pogingen van de laatste molenaar, de onlangs overleden heer Th.J. Heijckmann, om het monumentale bouwwerk te behouden - ook bij de gemeente — hadden niets uitgehaald, zodat een slopersbedrijf uit Apeldoorn op 6 januari 1929 met de sloop een aanvang maakte.
    De Gelderlander publiceerde op woensdag, 9 januari, een laatste foto, met het onderschrijft: "De oude Kruitmolen te Huissen, die elk jaar 'n belangrijke rol speelt in de folkloristische feesten van 't schuttersgilde van genoemd oud stadje is thans definitief gedoemd te verdwijnen". En op 12 januari verscheen onder het kopje " Onze oude molens " het laatste bericht: "Men schrijft ons uit Huissen: Maandag (6 jan.) is men begonnen met het slopen van den ouden kruitmolen alhier. Donderdag was de belangstelling der burgerij al bijzonder groot nu het gold de verwijdering van de ijzeren wieken, welke met een donderend geraas naar beneden stortten. Naar men ons mededeelde zai voor het slopen nog van explosie materiaal gebruik moetem worden gemaakt, daar het muurwerk op plaatsen ruim 2 meter dik is."
    Behalve de naam "Molendel" herinnert nog slechts de zich in de gildenkapel bevindende altaarsteen, welke uit één der molenstenen is gehouwen, aan wat eens één van Huissens trotse bouwsels was en dat zonder veel eerbied voor het verleden het lot ten deel viel, dat daarvóór tal van andere historische bouwwerken (burcht, stadspoorten en -muren, convent e.d.) beschoren was geweest.

    molenklmolensteenkl

  • Kortekerkstraat en toren: Geheel verdwenen, Uit Mededelingen jaargang 4, nr. 3 (1978/79) Open or Close

    Kortekerkstraat en toren: Geheel verdwenen
    Uit Mededelingen jaargang 4,  nr. 3 (1978/79)

    Reeds eerder hebben wij (o.a. in Mededelingen, 3e jrg.nr.4,pg. 168) foto's gepubliceerd van de vooroorlogse situatie van de Kortekerkstraat. Door het bombardement van 2 okt. 1944 en de na de bevrijding gevolgde sloop, is de oorspronkelijke noordelijke gevelwand van het straatje, dat aan de kerkzijde met een hek was afgesloten, totaal verdwenen. De gebouwen op de foto, inclusief de toren, zijn alle verloren gegaan. Slechts het pand van de fa. Stam (strookje uiterst links) is behouden gebleven. De naoorlogse bebouwing aan deze — op de foto voorkomende - zijde heeft 't karakter van dit straatje totaal veranderd.
    De foto, die we thans publiceren, is vermoedelijk de laatste, welke het straatje in zijn oorspronkelijke toestand weergeeft. Zij dateert uit 1941 of 1942, mogelijk zelfs nog uit 1943. Zij werd gemaakt vanuit de Langestraat. Het blonde meisje is Trudy Scheepers (thans mevr. T. van Dillen-Scheepers in Huizen NH) , dochter van het echtpaar J.Th.A. Scheepers-Nass, dat het (nieuwe) huis hoek Langestraat - Kortekerkstraat (op de foto slechts een strook uiterst rechts zichtbaar) bewoonde. Achter haar even nog zichtbaar een dochtertje (Cilia?) van de fam. Bos, die in de Kortekerkstraat het historische pand nr. 2 ,dat de oorlog overleefde, bewoonde.

    kortekerkstraatkl

  • Inkomensverhoudingen in Huissen anno 1807 Uit Mededelingen jaargang 4, nr. 3 (1978/79) Open or Close

    Inkomensverhoudingen in Huissen anno 1807
    Uit Mededelingen jaargang 4,  nr. 3 (1978/79)

    Talrijke malen wordt in de 19e eeuw geklaagd over de bittere armoede van vele Huissenaren. Een scherp inzicht in de inkomensverhoudingen in Huissen ontbrak tot nu toe geheel.
    Een wellicht niet geheel zuiver, maar toch opmerkelijk beeld van de toestand is te verkrijgen uit een tweetal "Individuelle Aufnahmen der jährlichen Einkommen der Familien und einzelnen für Sich bestehenden Personen" uit 1807 (1).
    In deze overzichten is de bevolking — uiteraard ten behoeve van de belastingen — verdeeld in 13 categorieën . Bij het nu volgende moet men er rekening mee houden, dat de opnemers voor de ambten Huissen en Malburgen de cijfers hoog hebben gehouden ten einde het vereiste belastingbedrag te krijgen.
    Ook als men met dat gegeven rekening houdt, is het grootste aantal armen in de stad Huissen gezocht moest worden. Daar leefde 30.4% van de gezinnen onder de grens van 100 rijksdaalders per jaar, wat ongeveer het bestaansminimum was. In het ambt was maar 13% zo arm, terwijl in Malburgen slechts één van de 22 gezinnen (4.5%) onder dit niveau leefde.
    Net boven het bestaansminimurn (100 - 200 rijksdaalders) verdienden 89 van de 421 gezinnen. de armoede in de overgangstijd sedert 1795 was gestegen, blijkt wel uit het feit, dat bij een telling in 1764 "slechts" 20% armen in de stad woonden (2).
    Aan de andere kant van de ladder vinden we de rijken, die een redelijke tot grote welvaart hadden. De burgemeester, Johann Friedrich Pilgrim, verdiende tussen 500 en 800 rijksdaalder, waardoor hij zijn stand behoorlijk kon ophouden. Zijn categorie en die erboven, totaal 54 gezinnen (12.8%), kunnen we als de rijkeren beschouwen. Daarbij moet wel worden opgemerkt, dat de telling geestelijken buiten beschouwing laat, waardoor bijvoorbeeld de rijkste instelling in de stad, het St. Elisabethconvent, niet is meegerekend, evenmin als de pastoor, de kapelaan en de predikant, in 1764 allen tot de welvarendste Huissenaren behorend.
    In de opname van 1807 springt één zeer rijk man in het oog. Het zal niemand verbazen, dat de edelman Carel van Laer tot de Poll als enige Huissenaar meer dan 5.000 rijksdaalder per jaar verdiende. Goede tweede is de Malburger Willem Roeloffzen, die een jaar later het beheer over de domeinen kreeg, maar die als "Halbbauer, Schneider und Käsemacher" toch al in 1807 tussen 4.000 en 5.000 rijksdaalder verdiende.
    In de stad was de rijkste een vrouw, namelijk Elisabeth Royaards-van Erpers, de weduwe (sinds 1805) van ambtsraad Gijsbertus Royaards. Opvallend is, dat stadssecretaris Bequignol haar als beroep "Amts Räthin" meegeeft, een niet bestaande functie. In dezelfde categorie viel overigens ook de domeinpachter op de Pley, Frederik Nass. Al is het vorenstaande slechts een flauwe weergave van de verhoudingen in het Huissen van vlak voor de - eerste — overgang naar Nederland, het kan mogelijk een aanzet vormen tot een nadere bestudering van de sociale toestanden in het 19e eeuwse Huissen.

    DR E. SMIT

    Noten
    1) Hauptstaatsarchiv Düsseldorf - Grossherzogtum Berg 2630 en 2690.
    2) Hauptstaatsarchiv Düsseldorf - Kleve Rammer 3750.

    inkomstenkl

  • De Wildeman: Historisch of folkloristisch figuur? Uit Mededelingen jaargang 4, nr. 6 (1978/79) Open or Close


    De Wildeman: Historisch of folkloristisch figuur?

    Bij het beeldje op het het Postkantoorpleintje

    Uit Mededelingen jaargang 4,  nr. 6 (1978/79)

    Over verfraaiing van het straatbeeld door de plaatsing van beelden, beeldjes, mozaiëken en plaquettes heeft Huissen (gelukkig) geen klagen. Behalve religieuze (Christus Koning, Maria van Banneux, St.Joseph, St. Elisabeth) staan er hier en daar ook verschillende profane beelden in steen of brons.
    In voorbereiding is voorts een beeld van de poortwachter en op de dag, waarop beleg en ontzet worden herdacht, onthulde de burgemeester op het pleintje voor het Postkantoor een bronzen beeld van de "wildeman", de bekende figuur uit dat ludieke herden, een en ander dank zij een royale geste van het P.C.I.
    Minder ludiek was, dat daarbij - zonder protest van milieubeschermers of andere actiegroepen - een fraai boompje ten behoeve daarvan het loodje moest leggen.
    De Historische Kring kan er alleen maar verheugd over zijn, dat figuren uit Huissens historie en folklore in steen of brons worden vereeuwigd, die historie en folklore levendig houdend en tevens aan de verfraaiing van het stads(erf)beeld bijdragend.
    De Kring hoopt ook zelf daaraaen - men leze daarover elders in dit nummer - een bijdrage te mogen leveren. Er zijn overigens nog verschillende historische en folkloristische figuren, die waard zouden zijn aldus te worden vereeuwigd.
    We denken b.v. aan: de stadsomroeper, de nachtwaker/klepperman, de man-met-de-ben uit de Umdracht, de vrouw aan de stadspomp, de visvanger met zijn grote net tijdens het beleg en ontzet,de schutter aan de schietboom, de bieleman, een tuindersechtpaar in de oude klederdracht etc.
    De keuze voor het beeld is tenslotte gevallen op de WILDEMAN, nadat aanvankelijk een gildekoning in brons zou worden gegoten. De betrokken kunstenaar kon met zijn ontwerp daarvoor echter geen genade vinden in de ogen van de opdrachtgevers aangezien het "beeld" van de koning niet overeenstemde met dat van Huissense gildekoning.
    Een artistieke beoordeling van het beeld laten we - als niet terzake deskundig - gaarne aan anderen over. We veroorloven ons slechts de opmerking, dat de door de gemeente geplaatste en gefinancierde sokkel nogal pover is uitgevallen, gezien het daarvoor beschikbare bedrag.
    Een handvormsteen ware fraaier en een kloostermop zelfs "toepasselijker" geweest, gelet op de ruige wildeman—figuur, afgezien van het feit, dat de huidige creatie identificatie met de wildeman, zoals hij jaarlijks wordt uitgebeeld, vrij moeilijk maakt. Men denkt onwillekeurig eerder aan een poelier in brons of een kippendief.
    Herkenbaarheid en artistieke vrijheid hadden in deze ongetwijfeld best samen kunnen gaan. De wildeman spreekt in Huissen sterk tot de verbeelding, vertrouwd als men is met zijn jaarlijkse verschijning, wanneer hij schrik en beven verspreidt onder de jeugd. Aan zijn figuur is reeds eerder aandacht besteed (l).
    Het meest bekend is de "wildeman" uit de heraldiek. Dan fungeert hij meestal als schildhouder (ténant) . Zijn lendenen zijn dan met groen omgord — een symbool van de natuurkracht - , hij heeft een sterke, ruige haardos en grote tanden, terwijl hij met een knots is gewapend. Men vindt hem ook wel geplaatst voor gebouwen als afwerend zinnebeeld.
    De wildeman wordt dan gezien als de wilde jager, een personificatie van Wodan. In het kader van het herdenkingsspel, het Huissense "vuurvechten", waarin historie en folklore zo nauw met elkaar zijn verbonden én zodanig dooreengeweven, dat het niet gemakkelijk valt om van alle gebruiken en tradities de juiste oorsprong te achterhalen, is de wildeman op zijn allervreemdst en ruig, wild uitgedost.
    Het liefst heeft hij een groot mes tussen zijn tanden. Men vereenzelvigt hem wel met de Moor, de bediende, die Karel van Gelre in 1502 hielp ontvluchten, maar óók wel met een Gelders spion. Onzes inziens moet hij louter als een folkloristisch figuur gezien worden, die met de historie van het beleg en ontzet niets te doen heeft, afkomstig als hij vermoedelijk is uit een ouder (heidens midzomer- later St.Jans-)feest.
    Als hij inderdaad de Moorse bediende zou moeten voorstellen, dan is zijn rol daarmee toch wel in sterke tegenspraak. Op de eerste plaats zou hij ook als Moor uitgedost moeten zijn. Dat is niet het geval en voorzover uit vroegere afbeeldingen is te is na te gaan, is dat ook nimmer het geval geweest.
    Op de tweede plaats zou van de "Moor" verwacht mogen worden, dat hij zich bij voortduring aan de zijde van de "Geldersen" zou bevinden. Dat doet hij niet en dat schrijft de traditie ook niet voor. Hij verkeert bij voorkeur in de stad, terwijl toch mag worden aangenomen, dat Karels zwarte dienaar nooit in de stad is geweest.
    Op de derde plaats wijst zijn gevangenneming er op, dat hier per se niet de Moor kan zijn bedoeld. Deze wist namelijk integendeel zijn meester én zichzelf aan gevangenneming te ontkomen.
    Ook met een Gelders spion kan hij moeiiijk worden vereenzelvigd. Daarvoor is hij te opzichtig uitgemonsterd en beweegt hij zich té opvallend binnen de stad.
    De oorspronkelijke betekenis en functie van de wildeman vallen in het kader van het feest niet duidelijk te herkennen. Eerder heeft de eerstondergetekende ("Sint Jan - Sint Jansdag en de Huissense gilden" in Huissens Gilden Kroniek, 2e jrg., nr.3,pg.6-10) als zijn veronderstelling uitgesproken, dat men in het nu niet meer of slechts symbolisch uitgevoerde gebruik om de wildeman onder te dompelen (bekend als "klein Evertje verzuupen"), het onderdomnpelingsritueel moet zien, oorspronkelijk een heidens ritueel, doch later gekerstend en passend in het christelijke Sint Jansfeest, waar het herinnert aan doop in de Jordaan (2).
    Het is slechts een veronderstelling, die overigens niet rijmt met de verklarirg voor de betekenis van het "klein Evertje verzuupen", die we citeerden in Mededelingen, 3e jrg.,nr. 5.
    H.W.J.O./J.H.F.Z.

    (1) H.W.J.Derksen, Figuren rond het spiegelgevecht: Wiideman en Bieleman in Huissense Gilden Kroniek,2e jrg.nr. 11/12, pg. 1-4.
    (2) Over de Sint Jansviering te Huissen zie men:
    D.J. Van Ven, Het Vendelzwaaien herleeft, Baarn, 1936.
    H.W.J.Derksen, "St. Jan-in-de-zomer (24 juni), een der oudste volksheiligen in ons land", De Gelderlander, 23 juni 1964, pg. 3. id. "Historisch spiegelgevecht in de vlammen van het St. Jansvuur", in De Gelderlander, 24 juni 1954, pg. 2. id, St.Jan — midzomerfeest - in Huissen en Laren, in Huissense Gilden Kroniek, 2e jrg., nr. 11/12, pg. 5—7.

    wildeman